In deze civiele zaak vordert geïntimeerde betaling van een bedrag van €4.928,50 van appellant, bestaande uit geleende bedragen en buitengerechtelijke kosten. De geldleningen zijn vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst van 15 augustus 2011. Appellant heeft verweer gevoerd, maar heeft de stellingen onvoldoende gemotiveerd betwist.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat de handtekening van appellant onder de overeenkomst authentiek is en dat de betwistingen van appellant niet aannemelijk zijn. Het hof sluit zich hierbij aan en overweegt dat appellant onvoldoende heeft toegelicht op welke wijze en wanneer inhoudingen op zijn salaris hebben plaatsgevonden, waardoor de vordering grotendeels wordt toegewezen.
Appellant heeft geen nieuwe feiten of bewijs aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. De grieven falen en het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter. Appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.