Belanghebbende exploiteerde een bloembollenbedrijf en verkocht in 2007 twee percelen cultuurgrond, elk van circa 3 hectare, aan kopers die voornemens waren deze percelen te gebruiken als bouwblok voor agrarische bedrijfswoningen en bedrijfsgebouwen. De grond had destijds de bestemming 'agrarische doeleinden', waarbij geen bedrijfsgebouwen mochten worden gerealiseerd. Na een bestemmingswijziging werd de bestemming aangepast naar 'bebouwing voor agrarische doeleinden'.
De inspecteur legde een aanslag op waarbij een deel van de winst uit de verkoop werd belast, omdat deze winst niet onder de landbouwvrijstelling viel. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarbij zij de berekening van de inspecteur volgde. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
Het Hof stelde vast dat de winst die niet onder de landbouwvrijstelling valt, moet worden berekend door de waarde van het potentiële bouwblok naar evenredigheid toe te rekenen aan het deel bestemd voor woning (belast) en het deel bestemd voor bedrijfsgebouwen (vrijgesteld). Het Hof oordeelde dat de inspecteur terecht uitging van de waarde van cultuurgrond als uitgangspunt voor de WEVAB en dat de berekening van belanghebbende onvoldoende recht deed aan de waardeontwikkeling door de bouwmogelijkheid van woningen.
Het Hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, en stelde de aanslag vast op een lager belastbaar inkomen uit werk en woning van €48.816. Tevens veroordeelde het Hof de inspecteur tot vergoeding van proceskosten van €3.602.