Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1973 gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn in 2012 gescheiden. De man is directeur en grootaandeelhouder van een besloten vennootschap, de vrouw bezit eveneens aandelen en bewoont de voormalige echtelijke woning. In hoger beroep stelt de man de alimentatie aanzienlijk lager dan de rechtbank vaststelde, terwijl de vrouw het bedrag juist hoog houdt.
Het hof overweegt dat de behoefte van de vrouw moet worden bepaald aan de hand van de welstand tijdens het huwelijk, met name in 2008 toen partijen nog samenwoonden. Het hof acht het bedrag van €12.500 bruto per maand reëel, maar houdt rekening met de draagkracht van de man, die door de economische omstandigheden is verminderd. De man heeft een draagkracht van €11.480 per maand om aan de vrouw te betalen.
De verdeling van de huwelijksgemeenschap is aangehouden door de rechtbank om nadere stukken te ontvangen. Het hof bekrachtigt dit en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor de hoofdzaak. De man is ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beschikking betreffende de verdeling.
Het hof wijst het meer of anders verzochte af en verklaart de beschikking inzake alimentatie uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof stelt de alimentatie vast op €11.480 per maand en verwijst de verdeling van de huwelijksgemeenschap terug naar de rechtbank.