ECLI:NL:GHAMS:2013:2420

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 augustus 2013
Publicatiedatum
8 augustus 2013
Zaaknummer
200.117.251
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a RvArt. 6:119 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv wegens onvoldoende rechtmatig belang

In deze civiele zaak vordert appellant op grond van artikel 843a Rv dat geïntimeerde wordt veroordeeld tot het verstrekken van betalingsbewijzen van twee geldleningen. Appellant betwist het bestaan van deze leningen en stelt dat geïntimeerde de bewijslast draagt.

Geïntimeerde betwist het bestaan van de gevorderde bescheiden en legt aan dat de eerste lening via een derde is verstrekt en de tweede lening contant is gegeven, waarbij hij alle beschikbare stukken al heeft overgelegd. Het hof overweegt dat voor toewijzing van een vordering op grond van artikel 843a Rv een rechtmatig belang vereist is, de bescheiden voldoende bepaald moeten zijn en betrekking moeten hebben op een rechtsbetrekking waarbij de verzoeker partij is.

Het hof oordeelt dat hoewel de bescheiden voldoende bepaald zijn en betrekking hebben op een rechtsbetrekking tussen partijen, onvoldoende is komen vast te staan dat geïntimeerde beschikt over de gevorderde bescheiden die nog niet zijn overgelegd of dat deze bescheiden daadwerkelijk bestaan. Hierdoor ontbreekt het aan een rechtmatig belang van appellant bij de vordering.

De incidentele vordering wordt daarom afgewezen. Appellant wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor het nemen van een memorie van antwoord door geïntimeerde.

Uitkomst: De incidentele vordering tot afgifte van bescheiden wordt afgewezen wegens onvoldoende rechtmatig belang.

Uitspraak

arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team II
zaaknummer : 200.117.251/01
zaaknummer rechtbank Alkmaar : 127029/HA ZA 11-151
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 augustus 2013
inzake
[APPELLANT],
wonend te [woonplaats],
appellant in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat:
mr. J. de Haante Alkmaar,
tegen:
[GEÏNTIMEERDE],
wonend te [woonplaats],
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat:
mr. G.J.W. Pulleste Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 15 oktober 2012 in hoger beroep gekomen van het onder bovengenoemd zaaknummer tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Alkmaar van 18 juli 2012.
Bij memorie van grieven heeft [appellant] één grief aangevoerd, bewijs aangeboden, producties overgelegd en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.
Daarbij heeft [appellant] tevens een incidentele vordering op de voet van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingesteld tot afgifte van bescheiden.
[geïntimeerde] heeft daarop in het incident geantwoord en geconcludeerd dat het hof [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn incidentele vordering, althans deze zal afwijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident alsmede de nakosten, uitvoerbaar bij voorraad.
Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.

2.Beoordeling

In het incident
2.1.
Het gaat hier, samengevat en voor zover in het incident van belang, om het volgende. Bij het bestreden vonnis is [appellant] uit hoofde van twee overeenkomsten van geldlening veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 103.216,03, te vermeerderen met de contractuele rente van 10% per jaar over een bedrag van € 72.550,- en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 30.666,03, met ingang van 10 augustus 2010 tot de dag der algehele voldoening. Daarnaast is [appellant] in de proceskosten veroordeeld, die zijn begroot op € 5.257,81. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.2.
[appellant] vordert in het incident dat [geïntimeerde] op grond artikel 843a Rv zal worden veroordeeld tot het verstrekken van een afschrift van betalingsbewijzen van de door [geïntimeerde] gestelde leningen aan [appellant] van € 50.000,- en € 25.000,-, binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest. Ter onderbouwing van zijn incidentele vordering heeft [appellant], samengevat, aangevoerd dat het op de weg van [geïntimeerde] ligt om aan te tonen dat hij geld aan [appellant] heeft geleend, hetgeen [appellant] uitdrukkelijk betwist.
2.3.
[geïntimeerde] heeft, kort gezegd, het bestaan van de gevorderde betalingsbewijzen betwist. Ten aanzien van de eerste geldlening heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat hij op eigen naam een overeenkomst van geldlening heeft gesloten met [X] (hierna: [X]) en dat [X], op verzoek van [geïntimeerde], een bedrag van € 100.000,- naar een vennootschap van [appellant] heeft overgemaakt, waarvan € 50.000,- als geldlening van [geïntimeerde] aan [appellant]. Een transactierapport van de bank van [X], waaruit deze overschrijving blijkt, is door [geïntimeerde] in eerste aanleg overgelegd (productie 4). Een bewijs van overschrijving van € 50.000,- van een bankrekening van [geïntimeerde] naar een bankrekening van (een vennootschap van) [appellant] bestaat daarom niet, aldus [geïntimeerde]. Ten aanzien van de tweede geldlening van € 25.000,- heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat deze in contanten is verstrekt en dat hij ook hiervan alle stukken die hij bezit in eerste aanleg heeft overgelegd.
2.4.
Bij de beoordeling van het onderhavige incident neemt het hof als uitgangspunt dat voor toewijzing van een vordering op de voet van artikel 843a lid 1 Rv slechts plaats is indien degene die een dergelijke vordering instelt daarbij een rechtmatig belang heeft, de bescheiden voldoende bepaald zijn en het bescheiden betreft aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn.
2.5.
Het door [appellant] gevorderde is voldoende bepaald en betreft bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin [appellant] partij is. Gelet op het verweer van [geïntimeerde] is echter onvoldoende komen vast te staan dat [geïntimeerde] beschikt over bescheiden die hij zou kunnen overleggen maar in deze procedure nog niet heeft overgelegd, dan wel dat de door [appellant] gevorderde bescheiden daadwerkelijk bestaan. [appellant] heeft derhalve onvoldoende (rechtmatig) belang bij de onderhavige incidentele vordering.
2.6.
Uit het vorenstaande volgt dat de incidentele vordering zal worden afgewezen.
2.7.
[appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, bij het eindarrest in de hoofdzaak worden verwezen in de kosten van dit incident.
2.8.
De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een memorie van antwoord door [geïntimeerde].
2.9.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

3.Beslissing

Het hof:
in het incident
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 17 september 2013 voor het nemen van een memorie van antwoord door [geïntimeerde];
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, M.A. Goslings en J.E. Molenaar en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2013.