Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.De procedure in eerste aanleg
4.De procedure in hoger beroep
5.Beoordeling van het hoger beroep
6.Beslissing
zondag 29 september 2013 pro forma;
Gerechtshof Amsterdam
De vrouw en man zijn gescheiden ouders van een minderjarige die bij de vrouw woont. Na de echtscheiding is een omgangsregeling vastgesteld waarbij de vader omgang heeft met het kind. De omgang verliep begeleid via het Omgangshuis, maar de moeder beëindigde deze begeleiding, stellende dat hulpverlening voor het kind noodzakelijk is.
Het hof heeft vastgesteld dat de begeleide omgang overwegend positief was en dat er sprake is van contactgroei en een affectieve relatie tussen vader en kind. De moeder weigerde echter verdere medewerking, wat het Omgangshuis en het hof als nadelig voor het kind beoordelen. De vrouw verzocht ook om eenhoofdig gezag, maar dit verzoek werd afgewezen wegens te late indiening.
Het hof besloot een raadsonderzoek te gelasten om te bepalen welke omgangsregeling het beste is en welke hulpverlening nodig is voor het kind en de ouders. Voor de duur van dit onderzoek is een voorlopige onbegeleide omgangsregeling vastgesteld, waarbij het kind eens in de veertien dagen op zondag bij de vader verblijft, met een dwangsom voor de moeder bij niet-naleving. Tevens is bepaald dat de partner van de moeder niet bij de overdracht aanwezig mag zijn.
Uitkomst: Het hof stelt een voorlopige onbegeleide omgangsregeling vast en gelast een raadsonderzoek naar de beste omgangsregeling en noodzakelijke hulpverlening.