Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2013:2704

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 augustus 2013
Publicatiedatum
29 augustus 2013
Zaaknummer
200.102.537-01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:50 BWArt. 5:51 BWArt. 353 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Burenrechtelijke vordering tot ondoorzichtig maken van ramen en deskundigenonderzoek erfgrens

In deze civiele procedure vordert de geïntimeerde op grond van artikel 5:50 en Pro 5:51 BW dat appellant de ramen aan de slootzijde van zijn perceel ondoorzichtig en vaststaand maakt, met een dwangsom bij niet-naleving. Appellant voert verweer dat de sloot openbaar water is en dat de afstand tussen de erfgrens en de ramen meer dan twee meter bedraagt, waardoor art. 5:50 BW Pro niet van toepassing zou zijn. Tevens beroept appellant zich op verjaring en misbruik van recht.

De rechtbank wees de vorderingen toe, maar het hof stelt vast dat de precieze ligging van de erfgrens en de afstand tot de ramen onduidelijk zijn en partijen hierover van mening verschillen. Daarom benoemt het hof een onafhankelijke landmeterspecialist van het Kadaster als deskundige om deze afstand te meten. De geïntimeerde draagt de bewijslast dat de afstand minder dan twee meter is en dient het voorschot voor het deskundigenonderzoek te voldoen.

Het hof wijst de vordering tot schadevergoeding van appellant af wegens het ontbreken van een reconventionele eis in hoger beroep. Tevens corrigeert het hof een kennelijke verschrijving in het vonnis over het perceelnummer. De zaak wordt aangehouden tot het deskundigenbericht is uitgebracht, waarna verdere beslissing volgt.

Uitkomst: Het hof gelast deskundigenonderzoek naar de erfgrens en afstand van de ramen en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht, team II
zaaknummer : 200.102.537/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: 1277694 CV 11-28227
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 augustus 2013
inzake

1.[appellant],

2. [appellante],
beiden wonend te [woonplaats],
APPELLANTEN,
advocaat:
mr. R.H.J. Koopmanste Amsterdam,
tegen:
[geïntimeerde],
wonend te [woonplaats],
GEÏNTIMEERDE,
advocaat:
mr. J.H.H. Baljette Amsterdam.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] (in mannelijk enkelvoud) en [geïntimeerde] genoemd.
[appellant] is bij dagvaarding van 13 februari 2012 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 16 november 2011, gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde.
Bij arrest van 6 maart 2012 heeft het hof een comparitie van partijen gelast, die op 10 april 2012 heeft plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven/eiswijziging, met producties;
- memorie van antwoord, met producties.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen en [geïntimeerde] zal veroordelen als in zijn conclusie omschreven, alles met beslissing over de proceskosten.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met beslissing over de proceskosten.
Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 28 januari 2013 door hun bovengenoemde advocaten doen bepleiten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. [appellant] heeft nog producties in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.

2.Feiten

2.1.
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.6 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. [appellant] heeft tegen die vaststelling grieven aangevoerd. Het hof zal, mede gelet op die grieven, de feiten hieronder opnieuw vaststellen.
2.2.
[appellant] is eigenaar van de percelen te Amstelveen, kadastraal bekend als Amstelveen W 450 (hierna: perceel 450) en W 499 (hierna: perceel 499). [geïntimeerde] is eigenaar van het perceel te Amstelveen, kadastraal bekend als Amstelveen W 429 (hierna: perceel 429). Dit perceel grenst aan perceel 450. Ter plaatse van de grens tussen deze percelen ligt een sloot (hierna: de sloot).
2.3
Op perceel 450 bevindt zich langs de grens van het land en de sloot een gebouw (hierna: het gebouw). In de gevel van het gebouw die grenst aan de sloot bevinden zich ramen (hierna: de ramen).

3.Beoordeling

3.1.
In deze procedure vordert [geïntimeerde] onder meer, op grond van artikel 5:50 en Pro 5:51 BW, dat [appellant] de ramen ondoorzichtig en vaststaand maakt, op straffe van een dwangsom. [appellant] heeft tegen deze vordering verweer gevoerd en stelt daartoe onder meer dat de sloot een openbaar water is, zodat artikel 5:50 BW Pro, gelet op de in lid twee van dat artikel opgenomen uitzondering, niet van toepassing is. Bovendien is de afstand tussen de erfgrens en de ramen meer dan twee meter, zodat geen sprake is van strijd met artikel 5:50 BW Pro, zo stelt [appellant]. [appellant] beroept zich verder nog op verjaring en misbruik van recht door [geïntimeerde]. De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen.
3.2.
[appellant] heeft voor het eerst bij Memorie van Grieven een vordering tot schadevergoeding ingesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 353 lid 1 Rv Pro. kan in hoger beroep geen eis in reconventie worden ingesteld zodat [appellant] in deze vordering niet kan worden ontvangen.
3.3.
[appellant] richt een grief tegen het dictum van het bestreden vonnis, omdat daarin de ramen aan de achterkant van perceel 499 worden genoemd terwijl dat perceel 450 zou moeten zijn. Naar het oordeel van het hof is dit een – ook door [geïntimeerde] aldus begrepen -kennelijke verschrijving, zodat hier in het dictum “450” in plaats van “499” dient te worden gelezen.
3.4.
Het hof stelt bij de verdere beoordeling voorop dat voor de vordering van [geïntimeerde] geen grondslag bestaat indien de afstand van de erfgrens tot de ramen meer dan twee meter bedraagt. Partijen stellen beide dat de erfgrens door de sloot loopt, doch zij verschillen van mening over de exacte ligging van die grens en over de daarmee samenhangende afstand tussen de erfgrens en de ramen. In hoger beroep heeft [appellant] zijn standpunt dat die afstand meer dan twee meter bedraagt onderbouwd met een (als productie K overgelegd) rapport van Geomet Landmeten. [geïntimeerde] heeft de uitkomst van dit rapport gemotiveerd bestreden en bewijs aangeboden.
3.5.
Het hof zal de heer [X], landmeterspecialist grensconstructie, van het Kadaster benoemen als deskundige teneinde door deze deskundige te laten uitmeten waar de erfgrens tussen perceel 429 en 450 ligt en te laten uitmeten hoe groot de afstand is tussen de erfgrens en de ramen op de benedenverdieping en op de bovenverdieping van het gebouw op perceel 450. [appellant] zal, voor zover redelijkerwijs noodzakelijk, medewerking dienen te verlenen aan genoemde meting(-en) en [geïntimeerde] zal hem in de gelegenheid dienen te stellen om daarbij aanwezig te zijn.
3.6.
Omdat [geïntimeerde] de bewijslast draagt van de aan haar vorderingen ten grondslag gelegde stelling dat de afstand tussen de erfgrens en de ramen minder dan twee meter is dient zij het voorschot voor het deskundigenonderzoek te voldoen. Bij eindarrest zal verder worden beslist welke partij de kosten van het deskundigenonderzoek (uiteindelijk) zal dienen te dragen.

4.Beslissing

Het hof:
beveelt een deskundigenonderzoek teneinde door deze deskundige te laten uitmeten waar de erfgrens tussen perceel 429 en 450 ligt en te laten uitmeten hoe groot de afstand is tussen de erfgrens en de ramen op de benedenverdieping en op de bovenverdieping van het gebouw op perceel 450;
benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:
[X], per adres (Kadaster),
Naritaweg 3, 1043 BP Amsterdam,
Postbus 20555, 1001 NN Amsterdam,
Telefoon 06 52481968;
bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundige zal toezenden;
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig - dat wil zeggen niet onder leiding van het hof - zal verrichten;
bepaalt dat partijen voor 17 september 2013 kopieën van de overige gedingstukken aan de deskundige zullen doen toekomen;
bepaalt dat het onderzoek zal plaatsvinden op
vrijdag 27 september 2013 te 09.30 uur;
bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek partijen in de gelegenheid zal stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat de deskundige in het schriftelijk bericht zal doen blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken;
bepaalt dat aan de deskundige voorlopig een bedrag groot € 580,- als voorschot op loon en kosten toekomt;
bepaalt dat [geïntimeerde] vóór 17 september 2013 een bedrag van € 580,- als voorlopig voorschot op loon en kosten van de deskundige ter griffie van het hof zal deponeren door overmaking op de rekening bij de Royal Bank of Scotland (RBS), rekeningnummer 569990505, ten name van het Ministerie van Justitie, Gerechtshof Amsterdam, onder vermelding van code 8051 H en zaaknummer 200.102.537/01 ‘voorschot deskundigen, inzake [appellant]/[geïntimeerde]’;
bepaalt dat de griffier onmiddellijk na deponering van dit voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige zonder deze kennisgeving het onderzoek niet behoeft te beginnen;
bepaalt dat de deskundige een schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van het hof vóór 3 december 2013, onder indiening van een (gespecificeerde) declaratie onder vermelding van zaaknummer 200.102.537/01;
verwijst de zaak naar de rol van 10 december 2013 voor deskundigenbericht;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Huijzer, J.C. Toorman en N. van Lingen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2013.