Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1988 gehuwd en in 2004 gescheiden waarbij een echtscheidingsconvenant is opgesteld met een partneralimentatie van €1.330,- per maand en een kinderbijdrage. De man verzocht in hoger beroep om verlaging van de partneralimentatie naar €433,47 vanwege een daling van zijn bedrijfsresultaat door de economische crisis.
Het hof oordeelt dat partijen bij het sluiten van het convenant bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, waarbij de partnerbijdrage was afgestemd op de woonlasten van de vrouw en niet op het werkelijke inkomen van de man. Het bedrijfsresultaat van de man is weliswaar gedaald, maar hij heeft vermogen opgebouwd waarvan hij kan leven.
De vrouw betwist dat zij heeft ingestemd met een verlaging van de alimentatie in 2004 en het hof acht haar stelling aannemelijk dat zij door een depressie niet in staat was te protesteren. Het hof vernietigt daarom het deel van de beschikking dat partijen tot verrekening van het teveel betaalde bedrag veroordeelde en wijst het verzoek tot verlaging af. De wettelijke indexering blijft van toepassing.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot verlaging van de partneralimentatie af en bevestigt de overeengekomen bedragen met wettelijke indexering.