Conclusie
“Ik ontving jullie e-mail berichten in goede orde. Ik begrijp hieruit jullie uitdrukkelijke wens geen bespreking te willen en niet, voorafgaand aan het tekenen van het convenant, fiscaal advies te willen inwinnen. (...) Het is jullie persoonlijke keuze om vooraf geen advies in te winnen en jullie zijn derhalve verantwoordelijk voor deze keuze en alle gevolgen daarvan.”
2.De beoordeling van het cassatiemiddel
onderdeel IIIte bespreken. Dit onderdeel komt op tegen de rov. 5.6 en 5.9. Ik zal de zes subonderdelen gezamenlijk behandelen.
subonderdeel III.3dat dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Volgens het subonderdeel vinden de beide door het subonderdeel veronderstelde opvattingen vinden geen steun in de wet of in de jurisprudentie, en zou de eerste opvatting bovendien met de contractsvrijheid kunnen conflicteren.
een of meer postenaan de draagkrachtkant met zich brengt dat óók ten aanzien van alle overige posten aan de draagkrachtkant bewust van de wettelijke maatstaven is afgeweken en dat daarom ook voor een wijziging aan de draagkrachtkant het “strenge criterium” geldt, althans dat in dat geval hoe dan ook het “strenge criterium” geldt, betoogt
subonderdeel III.4dat dit oordeel eveneens van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Volgens het subonderdeel vinden ook deze beide door het subonderdeel veronderstelde opvattingen geen steun in de wet of in de jurisprudentie, en zou de eerste opvatting bovendien met de contractsvrijheid kunnen conflicteren.
dieposten aan de draagkrachtkant ten aanzien waarvan
nietbewust van de wettelijke maatstaven is afgeweken - zoals, kort gezegd, de gezinssituatie en de verandering van werkkring -, volgens het “gewone criterium” van art. 1:401 lid 1 BW Pro tot een wijziging van de overeenkomst tot levensonderhoud aanleiding kan geven, welk criterium het hof zo nodig ambtshalve ex art. 25 Rv Pro, had moeten toepassen. Het hof had hiervoor ook feitelijke grondslag nu partijen zulks tot uitgangspunt hebben genomen. Door daaraan voorbij te gaan heeft het hof volgens het subonderdeel óók art. 149 Rv Pro geschonden.
beoogd? Ik noem een beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch, waarin het hof bewuste afwijking niet aannam en daarbij onder meer van belang achtte - kort gezegd - dat partijen niet expliciet van de wettelijke maatstaven waren afgeweken en evenmin expliciet hadden verwezen naar de maatstaf van art. 1:159 lid 3 BW Pro [15] . In een andere zaak heeft het hof ’s-Gravenhage de stelling dat bewust is afgeweken van de wettelijke maatstaven reeds verworpen op de grond dat deze maatstaven niet ter sprake zijn geweest [16] . De gedachte van dit hof was blijkbaar dat, als partijen niet over de wettelijke maatstaven hebben gesproken, zij daarvan ook niet bewust hebben kunnen afwijken. In andere uitspraken is van deze terughoudende benadering weinig te merken en lijkt bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven tamelijk snel te worden aangenomen [17] . In weer andere uitspraken is de benadering meer objectief, in die zin dat een vergelijking wordt gemaakt tussen de afspraken die partijen hebben gemaakt met het resultaat waarop zij zouden zijn uitgekomen als zij de wettelijke maatstaven zouden hebben gevolgd [18] .
leidt, impliceert op zichzelf nog niet dat partijen zich ook van die afwijking
bewustwaren), rijst in dat geval de vraag of het strenge wijzigingsregime vervolgens geldt voor iedere wijziging die van de overeenkomst betreffende levensonderhoud wordt verzocht, of slechts voor die wijzigingen die de door partijen buiten aanmerking gelaten omstandigheid betreffen. Voor zover ik heb kunnen nagaan is dit een en ander noch in de literatuur, noch in de rechtspraak eerder zo scherp aan de orde geweest [20] .
slechtshet inkomen van de alimentatiegerechtigde bij het bepalen van diens behoefte buiten beschouwing blijft, is (mogelijk) van een bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven sprake. Dat laatste zou naar mijn mening echter niet rechtvaardigen dat het strenge wijzigingsregime steeds van toepassing is, bijvoorbeeld óók als de alimentatieplichtige wijziging verzoekt op grond van een daling van zijn inkomen. Toepassing van het strenge wijzigingsregime zou dan geen recht doen aan het feit dat partijen ten aanzien van het inkomen van de alimentatiegerechtigde
nietvan de wettelijke maatstaven hebben willen afwijken.
dieelementen het strenge wijzigingsregime van art. 1:159 lid 3 BW Pro geldt en dat ten aanzien van andere elementen het “gewone” criterium van art. 1:401 lid 1 BW Pro van toepassing is.
niet meeraan de wettelijke maatstaven voldoet [23] .
“aan echtgenoten toekomende vrijheid de financiële gevolgen van hun echtscheiding zelf te regelen” [24] . Ik betwijfel of híerin een voldoende rechtvaardiging van het strenge wijzigingsregime is gelegen. De bedoelde vrijheid brengt weliswaar mee dat partijen in hun alimentatieovereenkomst zelf mogen kiezen welke maatstaven zij hanteren, maar mijns inziens is hieraan niet per se verbonden dat de mogelijkheid van wijziging zou moeten zijn uitgesloten of beperkt wanneer door een wijziging van omstandigheden niet langer aan de
door partijen zelf gekozenmaatstaven wordt voldaan.
“wettelijke maatstaven”wordt verstaan de maatstaven die partijen zelf aan hun afspraken ten grondslag hebben gelegd. Wijziging zou dan mogelijk zijn, indien door een wijziging van omstandigheden niet meer aan die zelf gekozen maatstaven wordt voldaan [25] .
subonderdeel III.1) en dat het met dit oordeel buiten het partijdebat is getreden (
subonderdeel III.2). Voorts klaagt het onderdeel dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan als in zijn oordeel ligt besloten dat, indien aan de behoeftekant bewust van de wettelijke maatstaven is afgeweken, óók aan de draagkracht bewust van de wettelijke maatstaven is afgeweken (
subonderdeel III.3). Een gelijke klacht wordt geformuleerd voor het geval dat in het bestreden oordeel ligt besloten dat, indien ten aanzien van een of meer posten aan de draagkrachtkant bewust van de wettelijke maatstaven is afgeweken, óók ten aanzien van alle overige posten die de draagkracht betreffen bewust van de wettelijke maatstaven is afgeweken (
subonderdeel III.4). Ten slotte wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat het ten aanzien van die posten aan de draagkrachtkant waarbij niet bewust van de wettelijke maatstaven is afgeweken, het “gewone criterium” van artikel 1:401 lid 1 BW Pro, zo nodig ambtshalve, had moeten toepassen (
subonderdeel III.5).
welbewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken en elementen ten aanzien waarvan dat
niethet geval is. Het enkele feit dat partijen ten aanzien van bepaalde elementen van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken, betekent naar mijn mening niet dat dit laatste mede heeft te gelden voor alle andere elementen die de overeengekomen alimentatie bepalen en dat het strenge wijzigingsregime daarom toepassing moet vinden op ieder verzoek tot wijziging van de overeengekomen alimentatie, ongeacht de omstandigheden waarop de daartoe gestelde wijziging van omstandigheden betrekking heeft.
nietgesteld dat de bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven mede zag op het inkomen en op de gezinssituatie van de man. Integendeel, uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat de vrouw met het genoemde verweer louter het oog had op
haarinkomsten en/of op het fiscale nadeel voor en/of de schulden en bonussen van de man [28] .
ten aanzien van het inkomen en de gezinssituatie van de manbewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken. In zoverre slagen de klachten van de subonderdelen III.1-III.2.
alleposten - dus ook alle posten die de draagkracht betreffen - bewust van de wettelijke maatstaven is afgeweken, klaagt
subonderdeel I.1dat het hof art. 24 Rv Pro heeft geschonden en zijn oordeel, gelet op de stellingen van de vrouw, onbegrijpelijk is.
alleposten - dus ook alle posten die de draagkracht betreffen - bewust van de wettelijke maatstaven is afgeweken.
nietdat het hof ervan is uitgegaan dat de vrouw heeft aangevoerd dat ten aanzien van alle posten - dus ook alle posten die de draagkracht betreffen - bewust van de wettelijke maatstaven is afgeweken. Ik wijs nogmaals op rov. 5.8, waaruit blijkt dat het hof voor wat betreft de draagkrachtzijde alleen het buiten beschouwing laten van de bonussen, de aflossing op de schulden en het fiscale nadeel heeft gereleveerd.
subonderdeel I.2raakt gegrondbevinding van subonderdeel I.1 ook de rov. 5.5, 5.6, 5.8 en 5.9, voor zover het hof daarin, voortbouwende op rov. 5.4 en/of daarop volgende rechtsoverwegingen, tot uitgangspunt heeft genomen dat de stellingen van de vrouw inhouden dat partijen ten aanzien van alle posten die de draagkracht betreffen, bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken.
subonderdeel II.1 ten eerstedat het hof aldus het grievenstelsel heeft miskend. In haar beschikking van 27 maart 2013 heeft de rechtbank op p. 7 onderaan/p. 8 bovenaan de aflossingen door de man immers aan de draagkrachtkant op de voet van het “gewone” criterium van art. 1:401 lid 1 BW Pro beoordeeld. Dit betekent volgens het subonderdeel dat de rechtbank niet ervan is uitgegaan dat ter zake van de aflossingen en bonussen bewust van de wettelijke maatstaven is afgeweken. De vrouw heeft daartegen niet gegriefd. Dit betekent, nog steeds volgens het subonderdeel, dat het hof ervan diende uit te gaan dat ter zake daarvan het “gewone” criterium van voormelde bepaling geldt.
ten tweedeook buiten het partijdebat getreden. In de feitelijke instanties hebben noch de man noch de vrouw immers op een in de eerste twee volzinnen van art. 1.3 van het convenant vervatte afwijking van de wettelijke maatstaven een beroep gedaan. In eerste aanleg heeft de man de bewoordingen “bewust afwijken” te dien aanzien niet eens in de mond genomen. Dit geldt ook voor de vrouw. In § 18 van haar verweerschrift in eerste aanleg heeft de vrouw zelfs aangevoerd dat de man bonussen ontvangt en dat zij ermee akkoord gaat dat daarmee voor de draagkrachtberekening geen rekening wordt gehouden onder voorwaarde dat met de rentebetaling en aflossing van de huwelijkse schulden evenmin rekening wordt gehouden, en wel omdat partijen zijn overeengekomen dat de schulden van deze bonussen zouden worden afgelost en daarom niet bij de berekening van de alimentatie worden meegenomen. In zijn grief 17 in het voorwaardelijk incidenteel appel heeft de man, nog steeds volgens het subonderdeel, gesteld dat op dit onderdeel destijds niet van de wettelijke maatstaven is afgeweken; in § 39 van haar verweerschrift, heeft de vrouw niet gesteld dat zulks wel het geval is geweest. Zij heeft daarin, heel kort gezegd, slechts aangegeven dat het oordeel van de rechtbank juist is en dat de man in zijn huidige baan ook bonussen ontvangt. Het subonderdeel betoogt dat uit dit een en ander kan niet worden afgeleid dat de vrouw zich ter zake van de bonussen en schulden erop heeft beroepen dat bewust van de wettelijke maatstaven is afgeweken en dat ter zake het “strenge” criterium geldt. Sterker nog: uit de stellingen van de vrouw is volgens het subonderdeel slechts af te leiden dat de bonussen tegenover de aflossingen worden gesteld.
ten derdeook niet begrijpelijk, dit te meer nu iedere motivering hieromtrent ontbreekt.