Uitspraak
mr. L.P.A. Zwijnenbergte ’s-Gravenhage,
mr. J.A. Heerente Haarlem.
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
€ 190.000,- bruto aan [appellant].
Gerechtshof Amsterdam
De appellant was van 1973 tot 2004 in dienst bij Datawell. Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst vorderde hij betaling van achterstallig loon en niet opgenomen vakantiedagen, vermeerderd met wettelijke rente en een wettelijke verhoging van 50% wegens vertraging. De kantonrechter kende deze vorderingen toe, en het hof bekrachtigde dit arrest in 2008.
De appellant vorderde vervolgens in een afzonderlijk geding betaling van wettelijke rente over de toegekende wettelijke verhoging. Datawell weigerde deze rente te betalen. De kantonrechter wees de vordering af, wat het hof in hoger beroep bekrachtigde.
Het hof overwoog dat de oorspronkelijke veroordeling tot betaling van wettelijke rente uitsluitend betrekking had op de hoofdsommen en niet op de wettelijke verhoging. De nieuwe rentevordering over de verhoging is een aparte vordering die niet verenigbaar is met de matigingsbevoegdheid van de rechter volgens artikel 7:625 BW Pro. De rechter moet bij matiging rekening kunnen houden met rentevorderingen om cumulatie te voorkomen.
Daarom is de appellant niet-ontvankelijk in zijn nieuwe vordering en wordt het bestreden vonnis bekrachtigd. De appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering tot betaling van wettelijke rente over de toegekende wettelijke verhoging wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid.