Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
.
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen het door hemzelf berekende en betaalde BPM-bedrag, dat later door de Hoge Raad deels onverenigbaar met het Unierecht werd verklaard. De rechtbank had een hogere proceskostenvergoeding toegekend, maar het Hof vernietigt deze uitspraak.
Het Hof stelt vast dat artikel 7:15, lid 2, Awb alleen vergoeding van kosten toelaat indien het bezwaar gericht is tegen een besluit van het bestuursorgaan en dat er sprake is van aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Omdat het bezwaar van belanghebbende niet tegen een besluit van de inspecteur was gericht, is geen vergoeding verschuldigd.
Verder oordeelt het Hof dat de inspecteur niet onzorgvuldig heeft gehandeld omdat hij gebonden was aan het destijds geldende wettelijke kader. De integrale proceskostenvergoeding wordt daarom afgewezen en het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, terwijl het hoger beroep van de inspecteur gegrond is verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de integrale proceskostenvergoeding afgewezen.