Belanghebbende heeft het hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem waarin werd geoordeeld dat zij overdrachtsbelasting moest betalen bij de verkrijging van een woon/winkelpand. Het geschil betrof de vraag of de verkoopster als ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 kon worden aangemerkt, wat gevolgen zou hebben voor de toepassing van de vrijstelling van overdrachtsbelasting.
Het Hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de verkoopster niet als ondernemer kwalificeert. De verkoopster had het pand enkele jaren niet meer gebruikt en had het slechts leeg en ontruimd geleverd, waarbij zij de etalage tijdelijk in bruikleen had gegeven. De omgevingsvergunning voor sloop werd door belanghebbende zelf aangevraagd en verkregen. Dit alles valt binnen normaal vermogensbeheer en vormt geen economische activiteit in de zin van de Wet OB.
Daarnaast oordeelt het Hof dat zelfs als de verkoopster als ondernemer zou worden aangemerkt, de vrijstelling van overdrachtsbelasting op grond van artikel 15, lid 1, onderdeel a, van de Wet belastingen van rechtsverkeer niet van toepassing is, omdat de verkoopster geen verplichtingen had met betrekking tot sloop of herontwikkeling en de vergunning pas na levering werd verleend.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de overdrachtsbelasting is terecht geheven. Er worden geen kosten aan de wederpartij opgelegd. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.