ECLI:NL:GHAMS:2013:4151
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in belastinggeschil
Belanghebbende stelde een verzoek tot vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedure tegen een aanslag inkomstenbelasting 2006. De rechtbank Haarlem oordeelde dat de redelijke termijn van twee jaar was overschreden en kende een vergoeding van €500 toe. De Staat werd tevens veroordeeld in de proceskosten.
In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof Amsterdam dat de redelijke termijn aanvangt bij ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur en eindigt bij de uitspraak in de hoofdzaak. Het hof oordeelde dat de rechtbank terecht de vergoeding toekende en dat de reactie van de Raad voor de Rechtspraak namens de Staat niet te laat was. Ook was het achterwege blijven van een nadere zitting in eerste aanleg niet nadelig voor belanghebbende.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Het vonnis werd op 31 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de toekenning van een immateriële schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.