Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1987 gehuwd en in 2007 gescheiden. In het echtscheidingsconvenant is een niet-wijzigingsbeding opgenomen dat partneralimentatie niet kan worden aangepast door de rechter, tenzij sprake is van een zeer ingrijpende wijziging van omstandigheden.
De man verzoekt in hoger beroep de partneralimentatie te verlagen vanwege een zwaar hartinfarct in 2011, de malaise in de bouwsector en zijn beperkte verdiencapaciteit. De vrouw betwist dit en stelt dat het niet-wijzigingsbeding destijds uitvoerig is besproken en dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat er een volkomen wanverhouding is ontstaan.
Het hof overweegt dat de man onvoldoende heeft bewezen dat zijn inkomensachteruitgang structureel en definitief is. Zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering keerde niet uit wegens het ontbreken van blijvende invaliditeit. Tevens beschikt hij over een aanzienlijk vermogen dat niet is gereserveerd voor alimentatiebetalingen. Het hof concludeert dat de man redelijkerwijs bekend had moeten zijn met het niet-wijzigingsbeding en dat er geen zodanige wanverhouding bestaat om het beding te wijzigen.
Daarom wordt de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en het verzoek van de man afgewezen. De proceskosten worden niet aan de man opgelegd vanwege de aard van het geschil.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het niet-wijzigingsbeding en wijst het verzoek tot verlaging van partneralimentatie af.