Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Haarlem, waarin verdachte werd beschuldigd van het vervoeren, verkopen of aanwezig hebben van circa 10 gram materiaal bevattende cocaïne. De verdachte had 10 wikkels met witte inhoud aan een medeverdachte verstrekt, waarna zij beiden werden aangehouden en de wikkels in beslag werden genomen.
De advocaat-generaal vorderde een gevangenisstraf en taakstraf conform de eerdere uitspraak. De verdediging voerde aan dat niet bewezen kon worden dat de wikkels cocaïne bevatten. Het hof stelde dat hoewel een MMC-test een positieve reactie gaf, deze test een voorlopig karakter heeft en onvoldoende steun vond in de verklaring van de medeverdachte, die niet kon bevestigen dat de wikkels daadwerkelijk cocaïne bevatten.
De verdachte verklaarde in hoger beroep dat de wikkels geen cocaïne waren maar een ander materiaal, geleverd om de medeverdachte te behoeden voor cocaïnegebruik. Gezien de onzekerheden over de betrouwbaarheid van de verklaringen en het ontbreken van een NFI-onderzoek, oordeelde het hof dat niet bewezen kon worden dat de wikkels cocaïne bevatten. Het hof vernietigde het vonnis en sprak de verdachte vrij.