Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Het oordeel van de rechtbank
4.Geschil in hoger beroep
5.Relevante wettelijke bepalingen
– andere:
Gerechtshof Amsterdam
In deze bestuursrechtelijke zaak ging het om de juiste tariefindeling van een soja-eiwitconcentraat, een bruin, grof poeder gebruikt als ingrediënt in diervoeder. De inspecteur had het product ingedeeld onder post 2309 90 31 van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN), terwijl belanghebbende stelde dat het product moest worden ingedeeld onder post 2304 00 00, die betrekking heeft op perskoeken en andere vaste afvallen verkregen bij de winning van sojaolie.
De rechtbank Haarlem had de bindende tariefinlichting (BTI) van de inspecteur vernietigd en het product ingedeeld onder post 2304 00 00. De inspecteur ging hiertegen in hoger beroep bij het Hof. Het geschil draaide om de vraag of het product na een tweede extractie met ethanol en water het karakter van afval had verloren en daarmee onder post 2309 viel, of dat het nog steeds als afval moest worden beschouwd en onder post 2304 viel.
Het Hof oordeelde dat het product het karakter van afval niet had verloren. De tweede extractie veranderde de samenstelling niet wezenlijk, maar maakte het product alleen geschikt voor gebruik in mengvoeders voor jonge dieren. Het product bleef een restproduct van de winning van sojaolie en voldeed aan de criteria van post 2304. De verwijzing van de inspecteur naar een latere Europese verordening die tot een andere indeling leidde, was niet van toepassing op het tijdstip van de BTI-aanvraag en bracht het Hof niet tot een ander oordeel.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: Het hoger beroep van de inspecteur wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.