ECLI:NL:GHAMS:2013:4845

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 december 2013
Publicatiedatum
7 januari 2014
Zaaknummer
23-000132-11
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VluchtelingenverdragArt. 225 lid 1 SrArt. 231 SrArt. 422 lid 2 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijkheid vervolging wegens beroep op artikel 31 Vluchtelingenverdrag

De verdachte werd op 19 december 2010 op Schiphol aangehouden wegens bezit van een vals paspoort en rijbewijs. De politierechter veroordeelde hem op 4 januari 2011 tot twee maanden gevangenisstraf. Daarna diende de verdachte op 2 februari 2011 een asielverzoek in, dat op 29 maart 2011 werd afgewezen. Vervolgens werd hij ongewenst verklaard, maar deze verklaring werd op 13 februari 2013 gegrond verklaard en niet omgezet in een reisverbod.

De verdediging stelde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag, dat strafvervolging van vluchtelingen beperkt. De advocaat-generaal betwistte dit omdat de asielaanvraag onherroepelijk was afgewezen.

Het hof oordeelde dat het beroep op artikel 31 Vluchtelingenverdrag Pro alleen kan worden verworpen als zonder nader onderzoek vaststaat dat de vluchtelingenstatus evident ongegrond is. Omdat de bestuursrechter geen inhoudelijk oordeel over de asielaanvraag heeft gegeven, kan het hof niet vaststellen dat het beroep ongegrond is.

Daarom verklaart het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging en vernietigt het het vonnis van de politierechter. De strafzaak wordt daarmee geschorst zolang het asielrechtelijk onderzoek niet is afgerond.

Uitkomst: Het hof verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wegens het ontbreken van een inhoudelijk oordeel over de asielaanvraag.

Uitspraak

parketnummer: 23-000132-11
datum uitspraak: 23 december 2013
TEGENSPRAAK, gemachtigd raadsman
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 4 januari 2011 in de strafzaak onder parketnummer 15-801678-10 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
adres: thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 december 2013, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1:
hij op of omstreeks 19 december 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in het bezit was van een reisdocument, te weten een nationaal paspoort van [land] (voorzien van het nummer [paspoortnummer]) (op naam gesteld van [verdachte], geboren op [geboortedatum]), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was;
2:
hij op of omstreeks 19 december 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad een vals(e) of vervalst(e) nationaal rijbewijs van [land] (voorzien van het nummer [rijbewijsnummer]) (op naam gesteld van [verdachte], geboren op [geboortedatum]) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, immers is voornoemd document totaal vals.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging van de verdachte, nu er aan alle voorwaarden van artikel 31 Vluchtelingenverdrag Pro is voldaan en toepassing van dat artikel aan strafvervolging in de weg staat, aldus de raadsman.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging, omdat de eerste asielaanvraag van de verdachte onherroepelijk is afgewezen, zodat het beroep op het Vluchtelingenverdrag hier niet op gaat, aldus de advocaat-generaal.
Het hof overweegt als volgt.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep blijkende feiten
Op 19 december 2010 is de verdachte op Schiphol aangehouden omdat hij in het bezit was van een vervalst paspoort en een vals rijbewijs. Op 4 januari 2011 is de verdachte door de politierechter veroordeeld wegens overtreding van artikel 225, eerste lid en artikel 231 van Pro het Wetboek van Strafrecht tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.
Op 2 februari 2011 heeft de verdachte in Nederland een asielverzoek ingediend. Op 29 maart 2011 is de asielaanvraag afgewezen. Op 16 juni 2011 is de verdachte ongewenst verklaard in verband met voornoemde veroordeling door de politierechter van 4 januari 2011. De verdachte is in beroep gegaan tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. De verdachte is op 1 juli 2011 niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep wegens een gebrek aan belang, omdat hij inmiddels ongewenst was verklaard.
Het beroep van de verdachte tegen de ongewenstverklaring is op 13 februari 2013 gegrond verklaard.
De ongewenst verklaring is niet omgezet in een reisverbod.
Inhoudelijke overwegingen
Uit de strekking van artikel 31 Vluchtelingenverdrag Pro vloeit voort dat het openbaar ministerie in de op artikel 231 van Pro het Wetboek van Strafrecht gebaseerde vervolging van een verdachte die vreemdeling is en zich tegen de beschuldiging verweert met een beroep op de bescherming die deze verdragsbepaling beoogt te bieden, slechts dan ontvankelijk is indien onverwijld en zonder nader onderzoek door de strafrechter kan worden vastgesteld dat de stelling van de vreemdeling dat hij een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag ongegrond is.
In de onderhavige zaak heeft de verdachte bij zijn eerste verhoor bij de politie, bij zijn verhoor op de vordering tot inbewaringstelling bij de rechter-commissaris alsmede op de terechtzitting in eerste aanleg gesteld dat hij vluchteling is en asiel wenst aan te vragen in Nederland. Daarmee heeft de verdachte zich beroepen op de bescherming die artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag beoogt te bieden. Dat de daadwerkelijke asielaanvraag pas op 2 februari 2011 is ingediend doet daar niet aan af, omdat het hof aannemelijk acht dat dit het gevolg is van omstandigheden die buiten de macht van de verdachte lagen.
Het hof stelt vast dat de strafrechtelijke veroordeling van de politierechter in deze zaak ertoe heeft geleid dat de verdachte een inhoudelijk oordeel van zijn asielaanvraag door de bestuursrechter is onthouden. De bestuursrechter heeft de verdachte immers niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag gelet op de ongewenst verklaring die toen voorlag. Deze ongewenstverklaring was echter louter gebaseerd op de strafrechtelijke veroordeling door de politierechter van 4 januari 2011 en is inmiddels ongedaan gemaakt.
Nu de bestuursrechter geen inhoudelijk oordeel heeft geveld over de asielaanvraag van de verdachte, kan het hof niet onverwijld en zonder nader onderzoek vaststellen dat de stelling van de verdachte dat hij een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag evident ongegrond is. Gelet op het voorgaande zal het hof de officier van justitie dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart de officier van justitie ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. W.J.J. Los en mr. A.M. van Woensel, in tegenwoordigheid van mr. N.J. Ros, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 december 2013.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.