Uitspraak
1.[APPELLANT SUB 1],
[APPELLANT SUB 2],
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak vordert de verhuurder beëindiging van de huurovereenkomst van een bedrijfsruimte die sinds 1987 wordt verhuurd aan de huurder, die er een restaurant exploiteert. De verhuurder baseert zijn vordering op dringend eigen gebruik en slechte bedrijfsvoering door de huurder.
De kantonrechter oordeelde dat er geen sprake was van slecht huurderschap, maar wel van dringende noodzaak voor eigen gebruik, en bepaalde dat de huur eindigde per 31 december 2012. In hoger beroep stellen de huurders dat de opzeggingsbrief niet voldoet aan de wettelijke eisen en dat de feitelijke grondslag voor het dringend eigen gebruik is gewijzigd, wat niet is toegestaan.
Het hof oordeelt dat de brief van 15 juli 2010 geldig is als opzeggingsbrief, mede door verwijzing naar de brief van 29 mei 2008. Echter, het feitelijk gebruik dat de verhuurder nu voor ogen heeft (kantoorruimte) wijkt wezenlijk af van het oorspronkelijke opgegeven gebruik (Surinaamse horeca). Dit ontbreekt het vereiste verband, waardoor de vordering tot beëindiging niet kan worden gebaseerd op de gewijzigde grondslag.
Verder concludeert het hof dat de verhuurder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het pand dringend nodig is voor eigen gebruik, mede gelet op de locatie en de belangen van de huurder die al 26 jaar het restaurant exploiteert. De vorderingen worden daarom afgewezen en de verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van de verhuurder tot beëindiging van de huurovereenkomst af en veroordeelt hem in de proceskosten.