De zaak betreft een geschil over de huurprijs van een bedrijfsruimte die [appellant] sinds 1993 huurt van de erfgenamen van de verhuurder. In 2010 stelde de verhuurder een forse huurverhoging voor, die de huurder niet accepteerde en niet meewerkte aan het benoemen van een deskundige. De kantonrechter benoemde daarop de Bedrijfshuuradviescommissie (BHAC) die de huurprijs waardeerde op € 24.552,59 per jaar.
De kantonrechter stelde de huurprijs in vier jaarlijkse tranches vast, maar wees de vordering tot betaling van achterstallige huur af. Beide partijen gingen in hoger beroep met verschillende grieven over de deskundigheid van het BHAC-advies, de onderhoudstoestand van het pand, de toepassing van een correctie op de huurprijs en de wijze van huurverhoging.
Het hof oordeelde dat het BHAC-advies als deskundig en onafhankelijk uitgangspunt geldt en dat de huurder onvoldoende onderbouwing gaf om daarvan af te wijken. De onderhoudsgebreken rechtvaardigen een beperkte correctie van 5%, maar niet de door de huurder gevorderde 25%. De huurder kon zijn vordering tot partiële ontbinding niet in hoger beroep instellen.
Verder verwierp het hof het bezwaar tegen de geleidelijke huurverhoging, gezien de omstandigheden en het gebrek aan medewerking van de huurder. De huurprijs werd vastgesteld op € 1.943,74 per maand vanaf 12 januari 2011, oplopend tot € 2.046,04 per maand vanaf 1 maart 2013. De huurder werd veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, wettelijke rente en proceskosten. Het arrest werd uitgesproken op 24 december 2013.