Uitspraak
mr. B.J.M. Vernooijte Amsterdam,
mr. A. de Rooijte Zoetermeer.
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of appellant mondeling toestemming had gekregen om op het dak van het gebouw een rookgaskanaal te plaatsen. Het hof heeft in een tussenarrest bepaald dat appellant mocht bewijzen dat een directielid van Bouwgroep Holland namens de moedermaatschappij in maart 2006 toestemming had gegeven.
Tijdens het getuigenverhoor verklaarde het directielid dat er in maart 2006 een akkoord was over een korting en het aanleggen van een open haard, wat gelijkstaat aan het plaatsen van een rookgaskanaal. Echter was onduidelijk op welke wijze dit akkoord aan appellant was teruggekoppeld en ontbrak bevestiging van het tijdstip van het akkoord in andere verklaringen en stukken.
Het hof oordeelde dat deze enkele verklaring onvoldoende was om het bewijs te leveren dat appellant had gesteld. Omdat het tijdstip van het akkoord cruciaal was en niet voldoende was onderbouwd, werd appellant niet in het gelijk gesteld. De overige grieven faalden eveneens, waardoor het hof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigde en appellant veroordeelde in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het beroep van appellant af wegens onvoldoende bewijs van mondelinge toestemming.