ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8886
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Wrakingsverzoek afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid door gebrek aan machtiging
In deze zaak ging het om een wrakingsverzoek van mr. B.M. Beg, advocaat van verdachte [X], in een hoger beroep strafzaak. De verdachte was veroordeeld voor diefstal met geweld en stelde hoger beroep in. Tijdens een zitting in februari 2010 deed mr. Beg een wrakingsverzoek tegen de strafkamer, omdat het hof de geldigheid van de oproeping van de verdachte betwistte en de verdachte niet aanwezig was.
De raadsman weigerde te verklaren of hij bepaaldelijk gemachtigd was om de verdachte te verdedigen en legde direct na het wrakingsverzoek de verdediging neer. Het hof overwoog dat zonder duidelijke machtiging een raadsman niet het woord mag voeren, behalve om aanhouding te verzoeken voor de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte.
Het hof oordeelde dat het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk was omdat het niet door een bevoegde raadsman was gedaan en deze bovendien de verdediging had neergelegd. De beschikking werd uitgesproken door drie raadsheren, waarbij twee van hen de beschikking niet ondertekenden. Het verzoek werd afgewezen zonder mondelinge behandeling.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan machtiging en het neerleggen van de verdediging door de raadsman.