ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ1152

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 februari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
23-004774-10
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken bewijs van milieuovertreding bij gevelreiniging

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in Alkmaar, waarin verdachte werd beschuldigd van het onrechtmatig deponeren van afvalstoffen tijdens gevelreinigingswerkzaamheden.

De tenlastelegging betrof het op of omstreeks 26 augustus 2009 te Enkhuizen op de bodem laten terechtkomen van afvalwater en/of zand afkomstig van reinigingswerkzaamheden, met mogelijke milieuschade als gevolg. Het openbaar ministerie vorderde een geldboete van € 325,-.

Tijdens de terechtzitting in hoger beroep is door deskundigen verklaard dat het gebruikte Olivine-zand zonder vermenging met afvalstoffen niet schadelijk is voor het milieu. Tevens is vastgesteld dat de hoeveelheid Olivine-zand onder de compressor niet als afvalstof kan worden aangemerkt.

Het hof achtte het aannemelijk dat verdachte alle redelijke maatregelen had getroffen, zoals het gebruik van een zeil, om te voorkomen dat afvalstoffen op de bodem terechtkwamen. Hierdoor kon het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, waarna verdachte werd vrijgesproken.

Het hof vernietigde het eerdere vonnis en sprak verdachte vrij van de tenlastelegging.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken omdat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat zij afvalstoffen op de bodem had gedeponeerd.

Uitspraak

parketnummer: 23-004774-10
datum uitspraak: 13 februari 2013
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Alkmaar van 5 november 2010 in de strafzaak onder parketnummer 81-080463-09 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
[adres] [woonplaats]
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2013 en overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de vertegenwoordiger van de verdachte naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 26 augustus 2009 te Enkhuizen op en/of in de omgeving van de Abelenstraat en/of de Prunuslaan, opzettelijk, een hoeveelheid (afval)water en/of zand (bevattende zogenaamd gevelaanslag), althans afvalstoffen (afkomstig van reinigingswerkzaamheden aan een of meer gevels), op de (onbeschermde) bodem heeft gedeponeerd en/of laten geraken, althans een of meer handelingen met betrekking tot die afvalstoffen heeft verricht en/of nagelaten, waarvan zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan, toen niet alle maatregelen heeft genomen en/of nagelaten die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen en/of te beperken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Vordering van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, te weten een geldboete van € 325,-.
Vrijspraak
Gelet op de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, acht het hof het aannemelijk dat verdachte alle nodige maatregelen heeft getroffen, zoals het gebruik van een zeil aan de voet van de te reinigen gevels, die redelijkerwijs van haar mochten worden verwacht om te voorkomen dat de afvalstoffen (afkomstig van reinigingswerkzaamheden aan de gevels) op de (onbeschermde) bodem terecht zouden komen.
Tevens neemt het hof daarbij in aanmerking de op de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaringen van de getuigen-deskundigen H. Mulder en A. Marchant, inhoudende dat Olivine-zand, indien niet vermengd met afvalstoffen, niet schadelijk is voor het milieu.
Voorts is de door de verbalisanten bij en onder de compressor aangetroffen hoeveelheid Olivine-zand vermengd met leidingwater, die de verdachte bij de reinigingswerkzaamheden gebruikte, niet een stof, waarvan verdachte zich wilde ontdoen. Daarmee is de onder compressor aangetroffen hoeveelheid stof niet aan te merken als een afvalstof en kan naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. H.J. Bronkhorst en mr. H.A. Holthuis, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Veldheer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 februari 2013.
Mr. H.A. Holthuis is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.