ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ5638
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J.W. Hoekzema
- D.J. Oranje
- E.J.H. Schrage
- Rechtspraak.nl
Voortzetting huur woonruimte na overlijden moeder afgewezen wegens ontbreken duurzame gemeenschappelijke huishouding
In deze zaak stond de voortzetting van een huurovereenkomst centraal na het overlijden van de moeder van appellant, die medehuurder was van een woonhuis. Appellant woonde sinds zijn geboorte onafgebroken in de woning en voerde aan dat hij met zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, waardoor hij op grond van artikel 7:268 BW Pro recht zou hebben op voortzetting van de huur.
De kantonrechter wees de vorderingen van appellant af en veroordeelde hem tot ontruiming van de woning. Appellant ging in hoger beroep en voerde acht grieven aan, waaronder dat hij hoofdverblijf had in de woning en dat de gemeenschappelijke huishouding duurzaam was. Het hof oordeelde dat hoewel appellant financieel en huishoudelijk bijdroeg, de situatie niet als duurzaam kon worden aangemerkt omdat de gemeenschappelijke huishouding tussen ouder en kind doorgaans als een aflopende samenlevingssituatie wordt beschouwd.
Het hof stelde dat de mantelzorgrelatie met de grootmoeder buiten de gemeenschappelijke huishouding viel en dat het opgeven van plannen om zelfstandig te gaan wonen onvoldoende was om de huishouding als duurzaam te kwalificeren. De grieven faalden en het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, stelde een termijn van twee maanden voor ontruiming en legde een dwangsom op bij niet-naleving.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot voortzetting van de huurovereenkomst af en veroordeelt appellant tot ontruiming binnen twee maanden met oplegging van een dwangsom.