ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ7236

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 februari 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
200.109.565-01 kg
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 475d Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake beslagvrije voet en woonlasten na relatiebeëindiging

Partijen, ex-partners, hadden een affectieve relatie met beperkte gemeenschap van goederen, waarvan de verdeling was vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. De man kwam zijn betalingsverplichtingen niet na, waarna de vrouw een kort geding startte en een vonnis verkreeg tot betaling van € 52.050,-. De vrouw legde executoriaal beslag op het loon van de man, waarbij de beslagvrije voet werd vastgesteld op € 1.506,77.

De man verzocht in kort geding om verhoging van de beslagvrije voet, omdat zijn werkelijke woonlasten hoger waren dan het normbedrag en hij anders in een noodsituatie zou komen. De voorzieningenrechter ging hierin mee en stelde de beslagvrije voet vast op € 1.750,-. De vrouw ging hiertegen in hoger beroep.

Het hof overwoog dat artikel 475d Rv dwingend recht is en dat alleen bij onaanvaardbare situaties van redelijkheid en billijkheid kan worden afgeweken. De man had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in een noodsituatie verkeerde; het feit dat hij schulden had en woonlasten hoger dan het maximum waren, was onvoldoende. Het hof vernietigde het vonnis van de voorzieningenrechter, wees de vordering af en bepaalde dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot verhoging van de beslagvrije voet af en handhaaft deze op € 1.506,77.

Uitspraak

arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.109.565/01 KG
zaaknummer rechtbank Amsterdam: 514683 / KG ZA 12-480 HB/BB
arrest van de meervoudige familiekamer van 26 februari 2013
inzake
[…],
wonend te […],
APPELLANTE,
advocaat: mr. M.L. Hamburger te Amstelveen,
tegen:
[…],
wonend te […],
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. J.A. Neslo te Almere.
1. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.
De vrouw is bij dagvaarding van 27 juni 2012 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 30 mei 2012 met kenmerk 514683 / KG ZA 12-480 HB/BB, in kort geding gewezen tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met producties.
De vrouw heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de man niet ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering, althans hem de verhoging van de beslagvrije voet zal ontzeggen en alsnog de beslagvrije voet zal handhaven op € 1.506,77.
De man heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering in hoger beroep.
Partijen hebben hun zaak ter zitting van 9 januari 2013 doen bepleiten door hun advocaten, ieder aan de hand van overgelegde pleitnotities.
Ten slotte is arrest gevraagd.
2. Feiten
De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten opgesomd, die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.
3. Beoordeling
3.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Tijdens deze relatie hebben zij in beperkte gemeenschap een aantal goederen verworven. Na verbreking van de relatie hebben partijen overeenstemming bereikt over de verdeling van deze beperkte gemeenschap. Deze overeenstemming is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst van 23 juni 2010. De man is op enig moment de op hem op grond van de vaststellingsovereenkomst rustende verplichtingen niet nagekomen, waarna de vrouw een kort gedingprocedure is gestart. In het vonnis van de voorzieningenrechter van 15 november 2011 is de man veroordeeld om aan de vrouw een bedrag van € 52.050,- te betalen. Het door de man tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep is bij arrest van het hof Arnhem van 11 september 2012 verworpen. De vrouw heeft naar aanleiding van het vonnis van 15 november 2011 (onder meer) executoriaal beslag doen leggen op het loon van de man. De deurwaarder heeft in het kader van het loonbeslag de beslagvrije voet bepaald op € 1.506,77.
3.2. De man heeft in kort geding - voor zover in deze procedure nog van belang - gevorderd zijn beslagvrije voet te bepalen op een bedrag, waarbij in de berekening van de deurwaarder in plaats van het normbedrag van € 309,69 aan woonlasten ex artikel 475d lid 5 onder b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), rekening wordt gehouden met zijn werkelijke woonlasten van € 894,15, aangezien hij anders, zo stelt hij, gelet op zijn maandelijkse lasten in een noodsituatie komt te verkeren. De voorzieningenrechter heeft de vordering toegewezen, aangezien naar het oordeel van de voorzieningenrechter, gelet op hetgeen de man over zijn financiële situatie naar voren heeft gebracht, voldoende aannemelijk is geworden dat de man bij hantering van de huidige beslagvrije voet (inderdaad) in een noodsituatie komt te verkeren en de beslagvrije voet van de man in redelijkheid bepaald op € 1.750,-. Tegen de beslissing van de voorzieningenrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt de vrouw met haar grieven op.
3.3. De vrouw voert aan in grief 1 dat de voorzieningenrechter ten onrechte ter zitting heeft aangenomen dat de man een eiswijziging heeft willen doorvoeren. De vrouw heeft geen belang bij deze grief, reeds omdat in hoger beroep een nieuwe beoordeling van de zaak plaatsvindt.
3.4. Grief 2 richt zich tegen de verhoging van de beslagvrije voet. Volgens de vrouw heeft de voorzieningenrechter artikel 475d Rv onjuist toegepast en ten onrechte aangenomen dat de man in een noodsituatie komt te verkeren, nu de man dit op geen enkele wijze heeft duidelijk gemaakt. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
3.5. Het gaat in deze zaak om de toepassing van artikel 475d Rv, dat van dwingend recht is. Dit artikel bepaalt - kort gezegd - dat de beslagvrije voet in beginsel 90% bedraagt van de voor de schuldenaar krachtens de Wet werk en bijstand geldende bijstandsnorm inclusief vakantieaanspraak. Lid 5 onder b van dit artikel heeft betrekking op de woonkosten van de schuldenaar en verhoogt de beslagvrije voet met de netto woonlasten van de schuldenaar, maar slechts tot een bepaald maximum. Van deze regeling kan - gelet op het dwingendrechtelijk karakter daarvan - niet worden afgeweken, tenzij toepassing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tot een onaanvaardbare situatie zou leiden.
3.6. Het hof is - anders dan de voorzieningenrechter - van oordeel dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat van een dergelijke situatie in het onderhavige geval sprake is. Het enkele feit dat een schuldenaar als gevolg van (de vaststelling van) de beslagvrije voet financiële problemen ondervindt omdat hij schulden heeft die hij moet aflossen en omdat zijn woonlasten hoger zijn dan het in artikel 475d lid 5 onder b Rv vastgestelde maximum, is daartoe onvoldoende. Daar komt bij dat in deze zaak niet is gebleken dat sprake is van substantiële financiële problemen. Uit de door de man in eerste aanleg en hoger beroep overgelegde stukken alsmede uit hetgeen hij ter zitting in hoger beroep daaromtrent heeft verklaard, valt slechts af te leiden dat de man ten tijde van het bestreden vonnis niet in staat was al zijn schulden af te lossen en dat hij daartoe met een aantal schuldeisers regelingen heeft getroffen. Grief 2 slaagt derhalve.
3.7. Het voorgaande leidt ertoe dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven. De vordering van de man om de beslagvrije voet op een hoger bedrag dan € 1.506,77 te bepalen zal alsnog worden afgewezen. Nu partijen ex-partners zijn, zullen de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep worden gecompenseerd als hierna te melden.
4. Beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
wijst de vordering van de man alsnog af;
compenseert de proceskosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. Kleene-Eijk, C.A. Joustra en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2013.