ECLI:NL:GHAMS:2013:CA2694
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J.P.A. Boersma
- A.P.M. van Rijn
- J.P. Kruimel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarden en immateriële schadevergoeding in hoger beroep tegen gemeente Amsterdam
Belanghebbende, eigenaar van vijf onroerende zaken in Amsterdam, stelde beroep in tegen de vastgestelde WOZ-waarden en aanslagen onroerende-zaakbelasting voor het jaar 2009. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor de bedrijfsruimtes (objecten 4 en 5) en ongegrond voor de woningen (objecten 1 tot en met 3). In hoger beroep werd de rechtbankuitspraak grotendeels bevestigd, maar werd de waarde van object 1 verminderd vanwege een aangepaste oppervlakte.
Het Hof bevestigde dat de waardering van de objecten moet plaatsvinden volgens artikel 16 en Pro 17 van de Wet WOZ, waarbij elk deel als afzonderlijk geheel wordt gewaardeerd zonder rekening te houden met splitsingsverboden of het sociale huurbeleid. De waardering van de bedrijfsruimtes werd vastgesteld met de huurwaardekapitalisatiemethode, waarbij de rechtbank terecht de waarde van objecten 4 en 5 verlaagde wegens onvoldoende bewijs van de heffingsambtenaar.
Verder wees het Hof het beroep van belanghebbende af dat de waarderingsmethode in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel of het EVRM. Ook werd geen extra korting toegekend vanwege de rijksmonumentstatus, omdat vergelijkingsobjecten met die status waren meegenomen. Ten slotte kende het Hof een immateriële schadevergoeding van €1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn voor uitspraak op bezwaar en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: WOZ-waarden van objecten 1, 4 en 5 verminderd en immateriële schadevergoeding van €1.000 toegekend.