ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3435
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- E.A.G. van der Ouderaa
- J. den Boer
- D.J. de Korte
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verliesverrekening bij houdsteractiviteiten en ruling in fiscale eenheid
Belanghebbende, een coöperatief lichaam opgericht in maart 2007, vormde een fiscale eenheid met X BV en verwierf in augustus 2007 drie buitenlandse deelnemingen. De inspecteur kwalificeerde het in 2007 geleden verlies als houdsterverlies volgens artikel 20, vierde lid, Wet Vpb, wat verliesverrekening beperkt.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet aan de eis voldeed dat houdsteractiviteiten gedurende minimaal 90% van het boekjaar moesten plaatsvinden, omdat zij pas vanaf augustus deelnemingen hield. De inspecteur stelde dat ook voorbereidende werkzaamheden en perioden van non-activiteit als houdsteractiviteiten moesten worden gezien, maar dit werd door de rechtbank en het hof verworpen.
Het hof bevestigde dat het temporele element van artikel 20, vierde lid, Wet Vpb strikt moet worden uitgelegd en dat verliezen in jaren waarin niet (nagenoeg) het gehele jaar houdsteractiviteiten zijn verricht, niet als houdsterverlies kunnen worden aangemerkt. Hierdoor is de verliesverrekeningsbeperking niet van toepassing op het verlies van belanghebbende in 2007.
Daarnaast werd vastgesteld dat de ruling van de Belastingdienst bevestigt dat er geen sprake is van buitenlandse belastingplicht en dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is. Het hoger beroep van de inspecteur werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Tot slot werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten en werd een griffierecht opgelegd.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de inspecteur ongegrond en bevestigt dat het verlies van belanghebbende in 2007 geen houdsterverlies is.