In hoger beroep tegen de straf- en ontnemingszaak van de verzoeker vond op 7 februari 2014 een zitting plaats waarbij een getuige werd gehoord. Na zijn verklaring werd ambtshalve een proces-verbaal verdenking meineed tegen deze getuige opgemaakt vanwege tegenstrijdigheden in zijn verklaringen.
De advocaat van de verzoeker diende daarop een wrakingsverzoek in tegen de behandelende rechters, stellende dat de strafkamer door het opmaken van dit proces-verbaal een schijn van vooringenomenheid wekte. De wrakingskamer heeft dit verzoek beoordeeld aan de hand van de relevante wet- en regelgeving en jurisprudentie.
De wrakingskamer constateerde dat de verklaringen van de getuige wezenlijk van elkaar verschillen, wat het opmaken van een proces-verbaal verdenking meineed rechtvaardigt. Echter, uit de beslissing van de strafkamer kan niet worden afgeleid dat zij reeds een oordeel over de geloofwaardigheid van de gunstige verklaring van de getuige heeft gevormd.
De vrees van de verzoeker dat de strafkamer vooringenomen is, werd daarom niet als objectief gerechtvaardigd beschouwd. Het wrakingsverzoek werd dan ook afgewezen door de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam op 3 april 2014.