Uitspraak
mr. F.J. van Zwietente Den Helder.
Gerechtshof Amsterdam
Appellante was onderworpen aan een wettelijke schuldsaneringsregeling die op 5 september 2012 van kracht werd. De rechtbank Noord-Holland beëindigde deze regeling tussentijds op 19 november 2013 vanwege niet-nakoming van verplichtingen. Appellante ging hiertegen in hoger beroep en verzocht om vernietiging van het vonnis en voortzetting van de regeling. Zij stelde dat zij niet bewust tekort was geschoten, dat zij niet op de hoogte was van haar afdrachtachterstand en dat de schenkingen van een derde bestemd waren voor haar kind. Tevens voerde zij gezondheidsproblemen aan die haar belemmerden haar financiële situatie te overzien.
De bewindvoerder stelde dat de schenkingen hoger waren dan appellante aangaf en dat deze als inkomen moesten worden aangemerkt en aan de boedel moesten worden afgedragen. Tevens wees hij op het ontstaan van nieuwe schulden en het niet voldoen aan informatieverplichtingen. Het hof benadrukte dat de schuldsaneringsregeling strenge verplichtingen aan de schuldenaar oplegt, gericht op een schone lei, maar dat actieve medewerking vereist is.
Het hof oordeelde dat appellante ernstig en verwijtbaar tekort was geschoten in vrijwel alle verplichtingen, waaronder het niet informeren over inkomsten, het laten oplopen van boedelachterstanden en het maken van nieuwe schulden. Gezien de omvang van de schulden en de resterende looptijd achtte het hof het niet aannemelijk dat de achterstanden zouden worden ingelopen, ook niet bij verlenging. Daarom werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en de tussentijdse beëindiging van de regeling bevestigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens ernstige tekortkomingen en nieuwe schulden.