ECLI:NL:GHAMS:2014:1314
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongegrondverklaring klacht tegen gerechtsdeurwaarder inzake beslaglegging en executiemaatregelen
In deze civiele zaak heeft klager hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders die zijn klacht tegen de gerechtsdeurwaarder ongegrond verklaarde. Klager stelde vier klachten: het niet overbetekenen van het beslag, het treffen van executiemaatregelen terwijl de vordering al was voldaan, het betwisten van de bevoegdheid tot inning van alimentatie na meerderjarigheid van zijn zoon, en het niet toepassen van een beslagvrije voet.
Het hof heeft de feiten vastgesteld op basis van de vaststelling van de voorzitter en de stukken van het geding, waaronder exploten en correspondentie. De gerechtsdeurwaarder heeft verklaard dat het exploot op gebruikelijke wijze is betekend, ondanks de stelling van klager dat hij het exploot niet heeft ontvangen. Het hof acht de verklaring van de gerechtsdeurwaarder geloofwaardig en verwerpt de klacht hierover.
Verder is geoordeeld dat de gerechtsdeurwaarder mocht vertrouwen op de opdracht van de opdrachtgever LBIO, ook al betwistte klager de vordering en stelde hij verrekening. De gerechtsdeurwaarder heeft klager hierover geïnformeerd. De klacht dat de gerechtsdeurwaarder zonder geldige titel beslag legde na de meerderjarigheid van de zoon is ongegrond, omdat een verklaring van de zoon aanwezig is waarin hij de inning voortzet.
Ten slotte is vastgesteld dat bij beslag onder een bankinstelling geen beslagvrije voet geldt, en dat het beslag onder de belastingdienst niet door de gerechtsdeurwaarder is gelegd. Het hof bevestigt de bestreden beslissing en verklaart alle klachten ongegrond.
Uitkomst: Het hof bevestigt de ongegrondverklaring van de klacht tegen de gerechtsdeurwaarder.