Uitspraak
de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie te Den Haag, door tussenkomst van de Raad voor de Rechtspraak, de Minister,
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak vordert belanghebbende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van zijn bezwaar en beroep tegen een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2001.
De bezwaarprocedure duurde 2 jaar, 6 maanden en ruim 2 weken, de beroepsprocedure in eerste aanleg 2 jaar en ruim 4 maanden, wat samen een totale behandelingsduur van ruim 5 jaar opleverde. De inspecteur en de Minister voerden geen omstandigheden aan die de overschrijding niet aan hen toerekenbaar maken.
Het Hof past de jurisprudentie van de Hoge Raad toe, waarbij de redelijke termijn in bezwaar 2 jaar is en in beroep 2 jaar, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. Deze zijn niet vastgesteld. Het tijdsverloop voor de aanslagregeling voorafgaand aan het bezwaar wordt niet meegerekend.
Op grond van de overschrijding van 3 jaar en 1 week kent het Hof een forfaitaire vergoeding toe van €3.500, waarvan €2.500 voor rekening van de inspecteur komt en €1.000 voor de Minister. Tevens worden proceskosten van €243,50 toegekend, te verdelen tussen inspecteur en Minister.
De uitspraak bevestigt het belang van tijdige afhandeling van belastinggeschillen en de toepassing van het recht op vergoeding bij overschrijding van redelijke termijnen.
Uitkomst: Het Hof kent een immateriële schadevergoeding van €3.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep.