In deze civiele zaak is appellant in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor onrechtmatige daad en hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor een schadevergoeding van €537.854,- wegens verduistering.
De feiten zijn grotendeels onbetwist en betreffen de periode waarin appellant als medewerker projectadministratie bij Ymere in dienst was. Bij een strafvonnis werd appellant veroordeeld voor valsheid in geschrift en oplichting, met een schadevergoeding aan Ymere van €485.407,31. Dit vonnis is in hoger beroep door het hof Arnhem-Leeuwarden deels vernietigd, waarbij Ymere niet-ontvankelijk werd verklaard in haar schadevordering bij het strafproces en werd verwezen naar de burgerlijke rechter.
Het hof Amsterdam stelt vast dat het strafrechtelijke arrest nog in cassatie is bij de Hoge Raad. Daarom wordt de civiele procedure aangehouden tot 1 juli 2014, zodat na de uitspraak van de Hoge Raad de gevolgen daarvan kunnen worden besproken en beoordeeld. Indien geen cassatieberoep is ingesteld, kan de zaak op een eerdere datum worden voortgezet.
Deze beslissing voorkomt dat de civiele procedure wordt voortgezet zonder dat duidelijkheid bestaat over de uitkomst van de strafrechtelijke procedure die nauw verweven is met de civiele vordering.