Uitspraak
mr. M.B. Meindersmate Haarlem.
Gerechtshof Amsterdam
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling onder omzetting van het faillissement. Zij betoogt dat haar schulden te goeder trouw zijn ontstaan, onder meer door omstandigheden rondom haar kinderdagverblijf en een winkel in theeproducten, en dat zij haar situatie inmiddels onder controle heeft.
De curator adviseert negatief vanwege het ontbreken van administratie, onduidelijkheden over facturen op naam van verzoekster die betrekking hebben op de onderneming van haar zuster, en de schuld aan het CJIB die niet te goeder trouw zou zijn ontstaan. Het hof overweegt dat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schuld aan het CJIB en de schulden uit de exploitatie van Tea Licious te goeder trouw zijn ontstaan.
Voorts is onvoldoende gebleken dat verzoekster de omstandigheden die tot de schulden hebben geleid onder controle heeft gekregen, mede omdat zij onvoldoende verantwoordelijkheid neemt en geen budgetbeheer hanteert. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek af, met de mogelijkheid voor verzoekster om in de toekomst opnieuw een verzoek in te dienen als haar situatie stabiliseert.
Uitkomst: Verzoek tot omzetting faillissement in schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goeder trouw en onvoldoende controle over schulden.