Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
13 juni 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot toelating tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) dat door het gerechtshof Amsterdam is afgewezen. Verzoekster stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De Hoge Raad verwijst naar het vonnis van de rechtbank Noord-Holland en het arrest van het gerechtshof Amsterdam voor het geding in feitelijke instanties.
De conclusie van de Advocaat-Generaal was gericht op verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten geen aanleiding geven tot cassatie, mede omdat deze niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het beroep wordt derhalve verworpen. De uitspraak betreft de toepassing van artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 288 lid 1 en Pro lid 3 van de Faillissementswet, waarbij de hardheidsclausule in het kader van de WSNP aan de orde was.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van het verzoek tot toelating tot de WSNP.