Uitspraak
mr. G.F.H. Velthuizente Zaandam.
Gerechtshof Amsterdam
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Hij stelt dat zijn schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan vanwege persoonlijke omstandigheden zoals een echtscheiding en misbruik door derden, maar dat hij inmiddels zijn financiële situatie onder controle heeft.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 288 lid 1 Faillissementswet Pro alleen toewijzing mogelijk is indien de schuldenaar te goeder trouw is geweest bij het ontstaan van de schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Het hof constateert dat appellant hierin niet is geslaagd, omdat niet alle schulden ouder zijn dan vijf jaar of te goeder trouw zijn aangegaan.
Echter, op grond van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro kan alsnog toelating worden verleend indien de schuldenaar de omstandigheden die tot de schulden hebben geleid onder controle heeft gekregen. Het hof acht dit aannemelijk gezien de onder bewindstelling van de goederen, het sociale vangnet, de betalingsregelingen en de vaste arbeidssituatie van appellant.
Daarom vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank, verklaart de wettelijke schuldsaneringsregeling alsnog van toepassing en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor voortzetting met inachtneming van dit arrest. Appellant wordt erop gewezen zich strikt te houden aan de verplichtingen uit de regeling.
Uitkomst: Het hof verleent alsnog toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.