ECLI:NL:GHAMS:2014:1706

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 maart 2014
Publicatiedatum
12 mei 2014
Zaaknummer
200.137.055/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 RvStatuut voor het Koninkrijk der Nederlanden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nederlandse rechter onbevoegd voor gezamenlijk gezag kind zonder verblijfplaats in Nederland

Partijen, de vader en moeder van een minderjarige geboren in 1998, zijn in 1999 gehuwd en in 2002 gescheiden waarbij de moeder het eenhoofdig gezag kreeg. De vader verzocht om gezamenlijk gezag over het kind, maar dit verzoek werd door de rechtbank afgewezen. In hoger beroep stelde de vader dat het gezag gezamenlijk moest worden toegewezen.

Het hof beoordeelde ambtshalve de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Gezien het feit dat het kind sinds 2005 met de moeder in het buitenland verbleef en ook ten tijde van het verzoek in 2012 niet in Nederland woonde, was er sprake van interregionaal recht. Het hof paste artikel 5 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toe, dat bepaalt dat de Nederlandse rechter in gezagszaken geen rechtsmacht heeft als het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft.

Ondanks de tijdelijke verblijfplaats van het kind in Nederland in de zomer van 2012 en de spanningen met de vader, verbleef het kind feitelijk niet in Nederland. Ook was er geen uitzonderlijke verbondenheid met Nederland die rechtsmacht zou rechtvaardigen. Het hof vernietigde daarom de bestreden beschikking en bepaalde dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om kennis te nemen van het verzoek tot gezamenlijk gezag.

Uitkomst: De Nederlandse rechter is onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot gezamenlijk gezag omdat het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland had.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Uitspraak: 25 maart 2014
Zaaknummer: 200.137.055/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/13/527057 / FA RK 12-7989 (MN KO)
in de zaak in hoger beroep van:
[…],
wonende te [a],
appellant,
advocaat: mr. M.A. Hupkes te Amsterdam,
tegen
[…],
wonende te [b],
geïntimeerde.

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
Partijen worden hierna respectievelijk de vader en de moeder genoemd.
1.2.
De vader is op 13 november 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 14 augustus 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/527057 / FA RK 12-7989 (MN KO).
1.3.
De zaak is op 19 februari 2014 ter terechtzitting behandeld.
1.4.
Ter terechtzitting zijn verschenen:
- de advocaat van de vader;
- de heer C. de Wilde, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam Gooi en Vecht, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).
1.5.
De vader en de moeder zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Namens Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam is, met bericht van afwezigheid, niemand verschenen.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn [in] 1999 gehuwd. Hun huwelijk is op 17 mei 2002 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 10 april 2002 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun voorhuwelijkse relatie is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 1998. De vader heeft [de minderjarige] erkend.
2.2.
Bij beschikking van 16 oktober 2002 is, voor zover thans van belang, bepaald dat de moeder zal worden belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige].

3.Het geschil in hoger beroep

3.1.
Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vader om hem en de moeder gezamenlijk te belasten met het gezag over [de minderjarige], afgewezen.
3.2.
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, zijn verzoek om hem en de vrouw gezamenlijk te belasten met gezag over [de minderjarige], toe te wijzen.

4.Beoordeling van het hoger beroep

4.1.
Het hof dient, ambtshalve, eerst te beoordelen of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt.
4.2.
Het hof overweegt daarover als volgt. Bij Rijkswet van 7 september 2010 is het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden gewijzigd in verband met de wijziging van de staatkundige hoedanigheid van de eilandgebieden van de Nederlandse Antillen. Artikel I onder 1 bepaalt dat Aruba, Curaçao en Sint Maarten elk de hoedanigheid hebben van land binnen het Koninkrijk. Nu uit de stukken naar voren is gekomen dat [de minderjarige] thans op [b] verblijft, betreft het onderhavige geval een zaak van interregionaal recht. Dit betekent dat ongeschreven recht van toepassing is en dat Brussel II bis, het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 en het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 niet rechtstreeks van toepassing zijn. In een dergelijk geval dient, wat de rechtsmacht betreft, naar algemeen heersende opvatting, aansluiting te worden gezocht bij de ‘dichtstbijzijnde’ IPR-regel. Het hof zoekt aansluiting bij artikel 5 van Pro het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), krachtens welke bepaling de Nederlandse rechter in zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid geen rechtsmacht heeft indien het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft, tenzij hij zich in een uitzonderlijk geval, wegens de verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen.
Gebleken is dat [de minderjarige] in 2005 met zijn moeder naar [b] is verhuisd, waar zij zijn gaan wonen. In de zomer van 2012 is [de minderjarige] door zijn moeder op het vliegtuig naar Nederland gezet wegens zijn opstandige gedrag. Het was de bedoeling dat [de minderjarige] bij zijn vader in [a] zou gaan wonen, maar blijkens het Evaluatie- en adviesverslag van Spirit Crisisinterventie van 22 augustus 2012 en de door de advocaat van de man ter zitting in hoger beroep gegeven toelichting heeft hij daar alles bij elkaar feitelijk slechts enkele dagen verbleven – hij liep telkens weg – wegens spanningen tussen hen beiden. Na enkele keren op een crisisbed bij Beter met Thuis (BMT) te hebben verbleven is hij in overleg met Bureau Jeugdzorg uiteindelijk bij een vriendin van de moeder in Den Haag terecht gekomen. Blijkens genoemd Evaluatie- en adviesverslag kon [de minderjarige] daar verblijven totdat hij eventueel naar [b] terug kon. [de minderjarige] gaf aan naar [b] terug te willen en ook de moeder gaf aan dat [de minderjarige] naar [b] kon terugkeren, zij het dat zij met de vriendin had afgesproken dat [de minderjarige] het schooljaar in Nederland zou moeten afmaken. Naar de man stelt, verblijft [de minderjarige] sinds begin februari 2013 weer op [b]. Hij woont op [b] waar hij feitelijk (weer) door zijn grootmoeder (moederszijde) wordt verzorgd.
Onder deze omstandigheden, en in aanmerking genomen de omzwervingen van [de minderjarige] in de zomer van 2012 alsmede het tijdens de zomer van 2012 al onderzochte perspectief op terugkeer naar [b], kan niet worden gezegd dat [de minderjarige] ten tijde van het indienen van het inleidend verzoek van de vader op 24 september 2012 zijn gewone verblijfplaats in Nederland had als bedoeld in artikel 5 Rv Pro.
Niet gebleken is van feiten of omstandigheden die tot het oordeel moeten leiden dat de Nederlandse rechter, wegens de verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, niettemin rechtsmacht toekomt.
Dat, zoals de vader aanvoert, de door hem verzochte gezagsbeslissing wenselijk is om te voorkomen dat niemand (effectief) het gezag uitoefent als [de minderjarige] weer in Nederland zou komen terwijl zijn moeder in het buitenland verblijft, is onvoldoende om onder de gegeven omstandigheden rechtsmacht aan te nemen.
4.3.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.Beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om van het verzoek van de vader kennis te nemen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. van de Beek, M. Wigleven en M. Perfors in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2014.