ECLI:NL:GHAMS:2014:1706
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.N. van de Beek
- M. Wigleven
- M. Perfors
- Rechtspraak.nl
Nederlandse rechter onbevoegd voor gezamenlijk gezag kind zonder verblijfplaats in Nederland
Partijen, de vader en moeder van een minderjarige geboren in 1998, zijn in 1999 gehuwd en in 2002 gescheiden waarbij de moeder het eenhoofdig gezag kreeg. De vader verzocht om gezamenlijk gezag over het kind, maar dit verzoek werd door de rechtbank afgewezen. In hoger beroep stelde de vader dat het gezag gezamenlijk moest worden toegewezen.
Het hof beoordeelde ambtshalve de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Gezien het feit dat het kind sinds 2005 met de moeder in het buitenland verbleef en ook ten tijde van het verzoek in 2012 niet in Nederland woonde, was er sprake van interregionaal recht. Het hof paste artikel 5 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toe, dat bepaalt dat de Nederlandse rechter in gezagszaken geen rechtsmacht heeft als het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft.
Ondanks de tijdelijke verblijfplaats van het kind in Nederland in de zomer van 2012 en de spanningen met de vader, verbleef het kind feitelijk niet in Nederland. Ook was er geen uitzonderlijke verbondenheid met Nederland die rechtsmacht zou rechtvaardigen. Het hof vernietigde daarom de bestreden beschikking en bepaalde dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om kennis te nemen van het verzoek tot gezamenlijk gezag.
Uitkomst: De Nederlandse rechter is onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot gezamenlijk gezag omdat het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland had.