Uitspraak
mr. E. Nagtegaalte Zaandam, gemeente Zaanstad.
Gerechtshof Amsterdam
Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 11 februari 2014 het hoger beroep behandeld van [X] c.s. tegen de afwijzing van hun verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling door de rechtbank Noord-Holland. De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat [X] c.s. schulden hadden laten ontstaan door het niet afdragen van loonheffingen en pensioenpremies, en de onderneming te lang hadden voortgezet ondanks duidelijke financiële problemen.
In hoger beroep betoogden [X] c.s. dat zij te goeder trouw waren en dat de ondergang van hun bedrijf het gevolg was van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waaronder arbeidsongeschiktheid van werknemers en het afstoten van verlieslatende activiteiten. Zij hadden geen verzuimverzekering en hadden zich niet verrijkt, maar konden hun goede trouw niet aannemelijk maken.
Het hof oordeelde dat de schulden aan de Belastingdienst en het Pensioenfonds betrekking hadden op niet nagekomen verplichtingen en dat de vennoten verantwoordelijk waren voor de afdrachten. Vanaf maart 2010 ontstonden betalingsachterstanden en in november 2011 was duidelijk dat het bedrijf verlies leed. Het voortzetten van de onderneming tot het faillissement in mei 2012 leidde tot onnodige schuldenopbouw. Het hof vond dat [X] c.s. onverantwoord hadden gehandeld en onvoldoende hadden aangetoond dat zij te goeder trouw waren. Ook het beroep op de hardheidsclausule faalde, omdat geen feiten waren aangevoerd die aantonen dat de omstandigheden nu onder controle zijn.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schuldsaneringsregeling af omdat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan door het onverantwoord voortzetten van de onderneming.