ECLI:NL:GHAMS:2014:2137

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 mei 2014
Publicatiedatum
6 juni 2014
Zaaknummer
200.136.429/01 en 200.136.425/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:322 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging voogdijoverdracht aan pleegouders in belang minderjarige

De zaak betreft het hoger beroep van de moeder en grootmoeder tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam waarbij de gezinsvoogdijinstelling WSJ is ontslagen van de voogdij over de minderjarige en de pleegouders zijn benoemd tot voogd. De moeder betoogde dat het in het belang van de minderjarige en haar biologische familie was dat de voogdij bij WSJ bleef, vanwege de neutrale rol en het voorkomen van conflicten.

WSJ en de pleegouders stelden dat de rol van WSJ de laatste jaren zeer beperkt was geweest en dat het voortzetten van de hulpverlening niet in het belang van de minderjarige was. De pleegouders benadrukten dat het contact met de biologische familie goed verliep en dat belangrijke beslissingen in overleg werden genomen zonder tussenkomst van WSJ.

Het hof overwoog dat de minderjarige zich goed had ontwikkeld, dat het contact tussen pleegouders en biologische familie goed was en dat de neutrale tussenkomst van WSJ in het verleden niet noodzakelijk was geweest en ook niet in de toekomst aannemelijk was. Het hof vond het belang van de minderjarige gediend met de voogdijoverdracht aan de pleegouders en bekrachtigde de beschikking. Het hoger beroep van de grootmoeder werd verworpen wegens intrekking.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de voogdijoverdracht aan de pleegouders en verwerpt het hoger beroep van de grootmoeder.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Uitspraak: 13 mei 2014
Zaaknummers: 200.136.429/01 en 200.136.425/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/13/540719 / FARK13-2925 (AW SH)
in de zaak met zaaknummer 200.136.429/01 in hoger beroep van:
[…],
wonende te […],
appellante,
advocaat: mr. F.M.M.M. Vogels te Amsterdam,
tegen
William Schrikker Jeugdbescherming,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde.
in de zaak met zaaknummer 200.136.425/01 in hoger beroep van:
[…],
wonende te […],
appellante,
advocaat: mr. F.M.M.M. Vogels te Amsterdam,
tegen
William Schrikker Jeugdbescherming,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde.

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
In de zaak met zaaknummer 200.136.429/01 worden partijen hierna respectievelijk de moeder en WSJ genoemd.
1.2.
In de zaak met zaaknummer 200.136.425/01 worden partijen hierna respectievelijk de grootmoeder en WSJ genoemd.
1.3.
In de zaak met zaaknummer 200.136.429/01 is de moeder op 31 oktober 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 31 juli 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/540719 / FARK13-2925 (AW SH).
1.4.
In de zaak met zaaknummer 200.136.425/01 is de grootmoeder op 31 oktober 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 31 juli 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/540719 / FARK13-2925 (AW SH).
1.5.
Mevrouw […] (hierna: [x]) heeft, mede namens mevrouw […] (hierna: [y]), op 13 december 2013 een reactie op zowel het hoger beroep van de moeder als het hoger beroep van de grootmoeder ingediend ([x] en [y] hierna tezamen: de pleegouders).
1.6.
De zaken zijn op 5 maart 2014 tegelijkertijd ter terechtzitting behandeld.
1.7.
Ter terechtzitting zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld van een tolk gebarentaal, mevrouw M. van Roekel;
- de grootmoeder;
- S.W. van Hilst namens WSJ;
- de pleegouders;
- de heer C. de Wilde, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam Gooi en Vecht, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

2.De feiten

2.1.
Uit de relatie van de moeder en de heer […] (hierna: de vader) is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2007.
2.2.
[de minderjarige] is direct na haar geboorte in een crisispleeggezin geplaatst en verblijft sinds 22 februari 2008 bij de pleegouders. De pleegouders zijn gescheiden en hebben een omgangsregeling met betrekking tot [de minderjarige]. [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij [x].
2.3.
Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2010 is de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over [de minderjarige] en is Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (hierna BJAA) met de voogdij over [de minderjarige] belast, uit te voeren door WSJ.

3.Het geschil in hoger beroep

3.1.
Bij de bestreden beschikking is BJAA ontslagen van de voogdij over [de minderjarige] en is [x] benoemd tot voogd over [de minderjarige].
Deze beschikking is gegeven op het daartoe strekkende verzoek dat WSJ namens BJAA heeft gedaan.
in de zaak met zaaknummer 200.136.429/01:
3.2.
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, - naar het hof begrijpt - het inleidend verzoek alsnog af te wijzen.
in de zaak met zaaknummer 200.136.425/01:
3.3.
De grootmoeder heeft ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat zij haar hoger beroep intrekt.

4.Beoordeling van het hoger beroep

in de zaak met zaaknummer 200.136.429/01:
4.1.
Aan de orde is de vraag of de rechtbank terecht WSJ heeft ontslagen van de voogdij over [de minderjarige] en of de rechtbank terecht [x] heeft benoemd tot voogd over [de minderjarige].
Op grond van artikel 1:322,lid 1, aanhef en onder c van het Burgerlijk Wetboek kan iedere voogd zich van zijn bediening doen ontslaan indien een daartoe bevoegd persoon zich schriftelijk bereid heeft verklaard de voogdij over te nemen en de rechtbank deze overneming in het belang van de minderjarige acht.
4.2.
De moeder meent dat het in het belang van [de minderjarige] en haar biologische familie is dat de voogdij over [de minderjarige] blijft berusten bij WSJ. Zij vraagt zich af waarom een wijziging van de voogdij nodig is, nu haar contact met WSJ altijd goed is geweest en ook thans alles goed gaat. Weliswaar is de werkelijke rol van WSJ altijd zeer beperkt geweest, doch het feit dat de voogdij bij WSJ berustte heeft volgens de moeder ertoe geleid dat geen conflicten tussen enerzijds de moeder en de grootmoeder en, anderszijds, de pleegouders zijn ontstaan. De moeder vreest dat meningsverschillen, zoals over de vraag of en wanneer [de minderjarige] gedoopt gaat worden, in de toekomst uit de hand zullen lopen, indien WSJ niet meer kan fungeren als onafhankelijke neutrale tussenpersoon. Daarbij komt dat de moeder bang is dat haar band met [de minderjarige] (nog verder) zal worden doorgesneden als de voogdij bij [x] komt te rusten, terwijl zij de wens heeft om in de toekomst zelf voor [de minderjarige] te zorgen. Ook daarom is het beter dat WSJ met de voogdij over [de minderjarige] belast blijft, in ieder geval tot [de minderjarige] twaalf jaar is, zodat [de minderjarige] op dat moment zelf kan kiezen bij wie zij wil opgroeien, aldus de moeder.
4.3.
WSJ betoogt dat zij terecht is ontslagen van de voogdij over [de minderjarige] en dat [x] terecht is benoemd tot voogd over [de minderjarige]. WSJ heeft immers in de laatste jaren nauwelijks enige bemoeienis en daarom geen toegevoegde waarde gehad. Het onnodig laten voortduren van deze hulpverlening is niet in het belang van [de minderjarige], aldus WSJ.
4.4.
De pleegouders menen dat er geen reden is om [de minderjarige] in een hulpverleningskader te laten blijven, nu het al jaren goed gaat met [de minderjarige] en de rol van WSJ in de afgelopen jaren zeer beperkt is geweest. De situatie waarin belangrijke beslissingen in het leven van [de minderjarige] (moeten) worden genomen door een hulpverleningsinstantie dient derhalve niet langer dan nodig te bestaan. Vanaf het moment dat [de minderjarige] bij de pleegouders is komen wonen, verloopt het contact met de moeder, de grootmoeder en de rest van de (biologische) familie naar ieders tevredenheid. Afspraken rond de bezoeken zijn altijd in onderling overleg gemaakt, zonder tussenkomst van WSJ. Sinds de voogdijoverdracht is hierin niets veranderd, het contact tussen de pleegouders en de biologische familie verloopt nog steeds goed. De vraag van de grootmoeder om [de minderjarige] te laten dopen is het enige in de afgelopen zes jaren waar de pleegouders niet gelijk mee hebben ingestemd. De pleegouders zijn namelijk van mening dat [de minderjarige] hierover in de toekomst het beste zelf een beslissing kan nemen, wanneer zij daarvoor oud genoeg is.
4.5.
De Raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.6.
Het hof overweegt als volgt.
Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het goed gaat met [de minderjarige]. Zij heeft zich leeftijdsadequaat ontwikkeld en is een zelfverzekerd, vrolijk en sociaal meisje, zo blijkt uit de door WSJ op 16 maart 2013 opgemaakte Afsluitrapportage. Zowel de moeder als de pleegouders onderschrijven dat het contact tussen de biologische familie van [de minderjarige] en de pleegouders vanaf het moment van plaatsing van [de minderjarige] bij de pleegouders, goed is verlopen. Zij hebben voorts beiden te kennen gegeven dat de bezoeken tussen [de minderjarige] en de biologische familie altijd in onderling overleg, zonder tussenkomst van WSJ, zijn geregeld. Niet gebleken is dat de tussenkomst van WSJ als neutrale tussenpersoon in het verleden noodzakelijk is geweest. Dat dat in de toekomst wel noodzakelijk zal zijn, acht het hof dan ook niet aannemelijk, ook niet voor wat betreft de kwestie van het al dan niet dopen van [de minderjarige]. Het hof wijst erop dat de pleegouders hebben aangegeven dat zij de mogelijkheid van het dopen van [de minderjarige] voor de toekomst open laten, en dat zij alleen vinden dat [de minderjarige] zelf in de toekomst een rol zou moeten kunnen spelen bij deze beslissing. De pleegouders zullen overigens in de toekomst pleegzorgbegeleiding (blijven) ontvangen van Spirit, zodat (een vorm van) toezicht blijft bestaan op de pleegouders en de moeder en de grootmoeder daar terecht kunnen indien (incidenteel) blijkt dat bemiddeling tussen hen en de pleegouders nodig is.
Het hof acht het, met de Raad, van belang dat de feitelijke situatie, waarbij [de minderjarige] reeds zes jaar wordt verzorgd en opgevoed door de pleegouders en waarbij de rol van WSJ steeds zeer beperkt is geweest, juridisch wordt bevestigd. De stelling van de moeder dat de voogdij over [de minderjarige] bij WSJ dient te blijven berusten, omdat zij de wens heeft om in de toekomst zelf voor [de minderjarige] te zorgen, doet hieraan niet af.
Conclusie van het voorgaande is dat het hof het, evenals de rechtbank, in het belang van [de minderjarige] acht dat de voogdij wordt overgenomen door [x]. Dit leidt ertoe dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.
in de zaak met zaaknummer 200.136.425/01:
4.7.
Nu de grootmoeder haar hoger beroep niet handhaaft, heeft dit tot gevolg dat de door haar aangevoerde grief niet meer kan worden onderzocht, zodat haar hoger beroep zal worden verworpen.
4.8.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.Beslissing

Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.136.429/01:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
in de zaak met zaaknummer 200.136.425/01:
verwerpt het hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. M. Wigleven en mr. M.J. Leijdekker in tegenwoordigheid van mr. S.J.M. Lok als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2014.