ECLI:NL:GHAMS:2014:2296

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 juni 2014
Publicatiedatum
18 juni 2014
Zaaknummer
23-001741-13
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • F.W.J. den Ottolander
  • J.H.C. van Ginhoven
  • M.R. Cox
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 APV Amsterdam 2008Art. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 22c SrArt. 22d Sr
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor zich ophouden met doel verkoop drugs op Damrak Amsterdam

In hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter Amsterdam is vastgesteld dat verdachte zich op 3 maart 2012 op het Damrak in Amsterdam ophield met het aannemelijke doel om middelen als bedoeld in de Opiumwet te koop aan te bieden. Het hof acht dit wettig en overtuigend bewezen en wijst het verweer van duplicatie van strafbepalingen tussen de APV en de Opiumwet af.

Het hof overweegt dat artikel 2.7, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Amsterdam 2008 zich richt op het voorkomen van overlast en het handhaven van de openbare orde, en dat deze bepaling niet in strijd is met hogere regelgeving. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde wordt bevestigd, evenals de strafbaarheid van de verdachte.

De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot drie weken hechtenis waarvan twee voorwaardelijk, maar het hof legt een taakstraf van 40 uur op, mede gelet op eerdere veroordelingen van de verdachte en de aard van het feit. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en het hof doet opnieuw recht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur wegens zich ophouden met het doel drugs te koop aan te bieden op de openbare weg.

Uitspraak

parketnummer: 23-001741-13
datum uitspraak: 17 juni 2014
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 4 april 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-130550-12 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 3 juni 2014.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:
dat hij op of omstreeks 03 maart 2012 te Amsterdam zich op en/of aan de weg, te weten het Damrak, heeft opgehouden, terwijl aannemelijk is, dat zulks gebeurde om middelen als bedoeld in art. 2 of Pro 3 van de Opiumwet althans daarop gelijkende waar, en/of slaapmiddelen en/of kalmeringsmiddelen en/of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar te kopen en/of te koop aan te bieden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:
dat hij op 3 maart 2012 te Amsterdam zich op en/of aan de weg, te weten het Damrak, heeft opgehouden, terwijl aannemelijk is, dat zulks gebeurde om middelen als bedoeld in art. 2 of Pro 3 van de Opiumwet althans daarop gelijkende waar te koop aan te bieden.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Kwalificatieverweer

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd, in navolging van de conclusie van de advocaat-generaal mr. A.J.M. Machielse bij het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013, dat artikel 2.7, tweede lid, van de APV 2008 Amsterdam buiten toepassing moet worden gelaten, nu er sprake is van verboden/ongewenste duplicering/aanvulling van de strafbepalingen van de Opiumwet. Hij verzoekt daarom de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5725 als volgt.
Artikel 2.7, tweede lid, APV Amsterdam 2008 strekt, volgens de daarop gegeven toelichting en gezien zijn plaatsing in de APV, tot het voorkomen van aantasting van de openbare orde, het beteugelen van overlast en het bevorderen van de veiligheid op de openbare weg. Daartoe is strafbaar gesteld het zich op of aan de weg ophouden onder zodanige omstandigheden dat aannemelijk is dat dit ,,zich ophouden” ten doel heeft het kopen of te koop aanbieden van (onder meer) middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet. Strafbaarheid ingevolge deze APV-bepaling vereist geen strafwaardige betrokkenheid bij het kopen of te koop aanbieden van de in de Opiumwet genoemde middelen.
Gelet op artikel 149 van Pro de Gemeentewet, inhoudende dat de raad van een gemeente de verordeningen maakt die hij in het belang der gemeente –waaronder handhaving van de openbare orde- nodig oordeelt en artikel 121 van Pro de Gemeentewet, inhoudende, kort gezegd dat een gemeente bevoegd is tot het maken van (aanvullende) verordeningen voor zover deze niet in strijd zijn met hogere regelingen, en in aanmerking genomen dat voormeld artikel 2.7, tweede lid, APV Amsterdam wat betreft het ,,zich ophouden” de voorschriften van de Opiumwet niet dupliceert, moet worden geoordeeld dat de Raad van de gemeente Amsterdam met betrekking tot het verbod niet buiten zijn verordenende bevoegdheden is getreden door in artikel 2.7, tweede lid, mede te verbieden zich op of aan de weg op te houden, als aannemelijk is dat dit gebeurt om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te koop aan te bieden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat geen sprake is van duplicering van de voorschriften van de Opiumwet.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
overtreding van artikel 2.7 lid 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening
van de gemeente Amsterdam 2008.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

Tegen de verdachte is in eerste aanleg onvoorwaardelijke hechtenis voor de duur van 3 weken gevorderd. De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot 3 weken hechtenis waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uur, subsidiair 20 dagen hechtenis.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft met zijn handelen overlast en hinder op de openbare weg gegeven. Voorts is de verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 16 mei 2014 eerder voor strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf zoals gevorderd door de advocaat-generaal passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 2.7 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 Amsterdam en de artikelen 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.W.J. den Ottolander, mr. J.H.C. van Ginhoven en mr. M.R. Cox, in tegenwoordigheid van A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 juni 2014.
Mr. M.R. Cox is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[...]