ECLI:NL:HR:2013:BY5725
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- N. Jörg
- V. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verbindendheid APV Amsterdam artikel 2.7 lid 2 inzake ophouden met oogmerk drugsaanbod
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd bewezenverklaard zich op 8 augustus 2010 op de Warmoesstraat te Amsterdam te hebben opgehouden met het doel drugs te koop aan te bieden, in strijd met artikel 2.7, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Amsterdam 2008.
De tenlastelegging is gebaseerd op een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar die verdachte betrapte op gedragingen gericht op het aanbieden van verdovende middelen aan voorbijgangers. Het hof kwalificeerde dit als een overtreding van de APV-bepaling die het ophouden met het oogmerk van het kopen of verkopen van middelen als bedoeld in de Opiumwet strafbaar stelt.
Verdachte stelde in cassatie onder meer dat de APV-bepaling buiten de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad zou zijn gesteld en dat de Opiumwet aan de verbindendheid van deze APV-bepaling in de weg zou staan. De Hoge Raad oordeelde dat de APV-bepaling niet in strijd is met hogere regelgeving en dat de gemeenteraad binnen zijn bevoegdheid is gebleven. De strafbaarheid ingevolge de APV vereist geen strafwaardige betrokkenheid bij het kopen of verkopen van drugs zoals bedoeld in de Opiumwet, waardoor deze bepaling een eigen rechtsgrondslag heeft.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde feit strafbaar is volgens de APV Amsterdam 2008.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de strafbaarheid van het zich ophouden met het oogmerk drugs te koop aan te bieden volgens artikel 2.7, tweede lid, APV Amsterdam 2008.