Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
mr. J.A. de Swart,
1.Het geding in hoger beroep
18 februari 2014.
Gerechtshof Amsterdam
Het Gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van een toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder tegen een boete opgelegd door de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) wegens het niet behalen van het vereiste minimum aantal opleidingspunten in de periode 2011-2012.
De KBvG stelde dat de beroepsgroep gebaat is bij het waarborgen van vakbekwaamheid door het behalen van minimaal 30 opleidingspunten per twee jaar. De toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder behaalde slechts 23 punten en kreeg daarom een boete van €200 per niet behaald punt opgelegd.
De toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder voerde aan dat hij door bijzondere omstandigheden, zoals een kleine kantoororganisatie en spoedopdrachten, niet aan de verplichting kon voldoen en dat hij geen financieel voordeel had genoten. Ook stelde hij dat de boete niet in verhouding stond tot de werkelijke kosten van scholing.
Het hof oordeelde dat het dwingende karakter van de opleidingsverplichting betekent dat tijd vrijgemaakt had moeten worden, ongeacht de omstandigheden. Het ontbreken van inspanningen om het tekort in te halen en het ontbreken van een ontheffing door het bestuur van de KBvG maakten dat de klacht terecht was. De boete werd passend geacht en niet gematigd. De beslissing van de kamer werd bevestigd.
Uitkomst: Het hof bevestigt de boete van €1.400,- wegens het niet behalen van het vereiste minimum aantal opleidingspunten.