In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland werd de verdachte beschuldigd van het opzettelijk binnenbrengen van circa 11.963 gram cocaïne in Nederland via Schiphol, met gebruik van een koffer die vanuit Peru was ingecheckt. De verdediging voerde aan dat er aanwijzingen waren dat derden met de koffer hadden gerommeld en dat verdachte niet wist van de cocaïne.
Het hof oordeelde dat het proces-verbaal van de verbalisant moest worden uitgesloten vanwege het ontbreken van de cautie bij het verhoor, maar dat dit niet tot vrijspraak leidde. Uit de feiten bleek dat verdachte medewerking had verleend aan het gebruik van een identieke koffer om de cocaïne te vervoeren en dat zijn verklaringen niet consistent waren.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte medepleger was van het opzettelijk binnenbrengen van cocaïne. Gelet op de hoeveelheid cocaïne en de omstandigheden werd een gevangenisstraf van 48 maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht.