Uitspraak
mr. M. Raaijmakerste [vestigingsplaats].
Gerechtshof Amsterdam
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling door de rechtbank Noord-Holland. Zij stelde dat zij te goeder trouw was bij het ontstaan van haar schulden, waaronder een schuld aan de Belastingdienst wegens onterecht ontvangen kinderopvangtoeslag in de periode 2010-2012, en dat zij een deel van haar schulden had afbetaald.
Het hof oordeelde dat verzoekster niet voldeed aan de vereiste van goeder trouw zoals bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, van de Faillissementswet. De onbetaalde schuld van ruim €70.000 aan onterecht ontvangen kinderopvangtoeslag was niet voldaan en verzoekster had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet verwijtbaar was aan het ontstaan van deze schuld. Daarnaast was onvoldoende onderbouwd dat zij haar schuld aan het CJIB substantieel had teruggebracht.
Het hof concludeerde dat verzoekster niet had aangetoond dat zij de omstandigheden die tot haar schulden hebben geleid onder controle had gekregen, zoals vereist in artikel 288, derde lid, Faillissementswet. Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling werd daarom bekrachtigd afgewezen. Het hof wees erop dat verzoekster in de toekomst opnieuw een verzoek kan indienen indien zij kan aantonen dat haar situatie is gestabiliseerd.
Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goeder trouw.