De verdachte werd in hoger beroep geconfronteerd met de tenlastelegging van het opzettelijk invoeren van slagtanden en kunstvoorwerpen vervaardigd uit ivoor van de Afrikaanse olifant op Schiphol op 7 mei 2011. Het hof oordeelde dat de invoer van onbewerkte slagtanden in alle gevallen verboden was en dat de verdachte niet kon aantonen dat de bewerkte ivoorobjecten onder de vrijstellingsregeling van de Basisverordening EG nr. 338/97 vielen.
De verdachte verzocht voorwaardelijk om benoeming van een deskundige om de ouderdom van de ivoorobjecten te onderzoeken, maar het hof zag hier geen noodzaak toe omdat de verdachte niet beschikte over de vereiste vrijstellingen en certificaten op het moment van invoer. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de verboden invoer had gepleegd en verwierp overige tenlasteleggingen.
De verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van €6.000, te vervangen door 65 dagen hechtenis bij niet-betaling, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met een proeftijd van twee jaar. Het hof motiveerde de straf op basis van de ernst van de feiten, de handel in beschermde goederen en het winstbejag van de verdachte, ondanks diens schone strafblad.
Het vonnis van de economische politierechter werd vernietigd en het hof sprak opnieuw recht, waarbij tevens de inbeslaggenomen ivoorproducten werden onttrokken aan het verkeer. Hiermee bevestigde het hof het belang van de Flora- en faunawet en de Basisverordening EG ter bescherming van bedreigde diersoorten.