Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1998 gehuwd en hebben drie kinderen samen. Na beëindiging van het huwelijk is de man een nieuwe relatie aangegaan met drie kinderen uit die relatie. De vrouw ontvangt een bijstandsuitkering en verzorgt de drie gezamenlijke kinderen.
De vrouw verzocht verhoging van de kinderalimentatie tot €275 per kind per maand, terwijl de man een lagere bijdrage van €112 per kind wenste. Het hof oordeelt dat het verzoek van de man om nihilstelling van de alimentatie niet ontvankelijk is omdat dit een nieuw zelfstandig verzoek betreft dat niet in hoger beroep kan worden gedaan.
Het hof bepaalt de behoefte van de kinderen op €476 per maand na aftrek van het kindgebonden budget en berekent de draagkracht van de man op €539 per maand. Gezien zijn onderhoudsplicht voor zes kinderen wordt de draagkracht verdeeld over deze kinderen. De vrouw heeft een beperkte draagkracht van €50 per maand. De zorgkorting wordt vastgesteld op 15% vanwege enige omgang.
Omdat de gezamenlijke draagkracht lager is dan de behoefte, wordt het tekort gelijkelijk verdeeld. Dit leidt tot een vaststelling van de bijdrage van de man op het niveau van het ouderschapsplan, namelijk €122,74 per kind per maand. Het hof wijst het verzoek van de vrouw tot verhoging af en verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot nihilstelling.
Uitkomst: De man is verplicht een bijdrage van €122,74 per kind per maand te betalen voor drie kinderen, het verzoek tot verhoging wordt afgewezen en het verzoek tot nihilstelling is niet-ontvankelijk.