Uitspraak
mr. C.P.J.M. van Ruijvente Naaldwijk,
mr. E.J.L. Mulderinkte Breda.
Gerechtshof Amsterdam
Na verwijzing door de Hoge Raad beoordeelt het Gerechtshof Amsterdam de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap tussen man en vrouw, die in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. De gemeenschap omvat activa en aanzienlijke schulden verbonden aan de door de man gedreven onderneming.
De rechtbank Rotterdam had eerder de onderneming aan de man toegedeeld en de vrouw een bedrag toegekend wegens overbedeling. Het hof ’s-Gravenhage stelde echter vast dat de onderneming geen afgescheiden vermogen vormt en dat de schulden als gemeenschapsschulden moeten worden verdeeld. De Hoge Raad vernietigde dit oordeel omdat het hof onvoldoende rekening hield met de maatstaf van redelijkheid en billijkheid bij afwijking van de verdeling bij helfte.
Het hof Amsterdam stelt vast dat de gemeenschap een negatieve waarde heeft van €53.035,79 en dat de man door toedeling van activa en schulden een disproportioneel groot deel van de negatieve waarde draagt. De vrouw heeft geen feiten aangevoerd die een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen. Daarom is verdeling bij helfte niet onaanvaardbaar. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en bepaalt dat de man de schulden van de onderneming als eigen schuld draagt, terwijl de vrouw €15.695,11 aan de man moet voldoen.
De kosten van het geding worden gecompenseerd, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof bepaalt dat de man de schulden van de onderneming als eigen schuld draagt en de vrouw €15.695,11 aan de man moet voldoen.