Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
22 november 2013.
Hoge Raad
Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en zijn gescheiden bij beschikking van 11 december 2002. De procedure betreft de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, waarbij het hof als peildatum 1 december 2000 hanteerde voor waardering en omvang.
Het hof had geoordeeld dat de man alle activa van zijn eenmanszaak toegewezen kon krijgen, mits hij ook alle schulden van de onderneming zou dragen en de vrouw daarvan zou vrijwaren. Dit oordeel werd door de man aangevochten met het standpunt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting was uitgegaan.
De Hoge Raad stelt dat volgens artikel 1:100 BW Pro de gemeenschap in principe gelijk bij helfte wordt verdeeld, en dat afwijking daarvan slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden mogelijk is, waarbij maatstaven van redelijkheid en billijkheid in acht moeten worden genomen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof deze maatstaf niet heeft toegepast of onvoldoende heeft gemotiveerd en vernietigt daarom het arrest. De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. De kosten van het cassatiegeding worden door partijen zelf gedragen.
Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.