Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[geïntimeerde sub 1],
[geïntimeerde sub 2],
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
(…)
(…)
3.Beoordeling
Grief 1in het principaal appel richt zich tegen de verwerping door de rechtbank van het beroep op niet-ontvankelijkheid. [appellante] voeren aan dat het hier een principaal verweer betreft en dat zij dit verweer niet eerder had kunnen voeren omdat pas bij comparitie bleek dat [geïntimeerden] een privatieve last had verstrekt aan de Stichting. [appellante] beroept zich voorts op een analoge toepassing van het ne bis in idem beginsel, op de omstandigheid dat de Stichting pas na het vonnis in de door de Stichting geïnitieerde procedure de privatieve last heeft beëindigd en op het gezag van gewijsde van de beslissing van de rechtbank omtrent de door de Stichting ingestelde vordering.
grief 2komt [appellante] op tegen de verwerping door de rechtbank van haar beroep op de klachtplicht. Met betrekking tot de vraag wanneer [geïntimeerden] bekend waren met, althans redelijkerwijs bekend hadden moeten zijn met de gestelde tekortkomingen in het gevoerde vermogensbeheer, heeft de rechtbank overwogen dat niet eerder dan toen Lehman Brothers failliet ging voor [geïntimeerden] (en daardoor in de portefeuilles van [geïntimeerden] aanzienlijke extra verliezen werden geleden) voor [geïntimeerden] aanleiding bestond om aan de juistheid van het beleggingsbeleid te twijfelen. Met de brief van 11 december 2008, waarmee [geïntimeerden] een klacht hebben ingediend bij (de directie van) [appellante], hebben zij binnen bekwame tijd als bedoeld in artikel 6:89 BW Pro geklaagd, aldus de rechtbank. Het hof onderschrijft dit oordeel van de rechtbank. Hieromtrent geldt het volgende.
Grief 3, waarmee [appellante] hiertegen opkomt, slaagt.
grieven 4 en 5keren zich tegen het oordeel van [appellante] haar onderzoeksplicht heeft geschonden. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Zij hebben geen succes.
Overzicht onttrekkingen (bij bestedingsdoeleinden)”en
“Aanvullende vraag bij DEFENSIEF BELEID (bij pensioen/ inkomens-doelstelling)”waar het gaat om de vraag of met het bij [appellante] belegde vermogen het doelvermogen van de voorziening kan worden bereikt); met betrekking tot [geïntimeerde sub 1] ontbreekt bladzijde II bij de overgelegde stukken. Daarbij komt nog dat de formulieren tijdens of naar aanleiding van telefoongesprekken zijn ingevuld en [geïntimeerden] niet hebben kunnen controleren of de vermeldingen op die formulieren kloppen. [appellante] heeft onder 9.8 van de memorie van grieven een incidentele vordering aangekondigd, strekkende tot afgifte van de pensioenbrieven, maar zij heeft niet nader toegelicht welk belang zij daar nu nog bij heeft. Dit geldt te meer nu zij zelf stelt dat haar wel duidelijk was wanneer en hoeveel onttrokken moest worden: vanaf 2009 een bedrag tussen € 20.000,- en € 30.000,- per jaar. Nu [appellante] in het aan het slot van hun memorie geformuleerde petitum niet op deze incidentele vordering terugkomen, zal het hof een beslissing hierop in het dictum achterwege laten. [appellante] baseert de door haar vermelde bedragen overigens op naderhand in 2009 ingevulde inventarisatieformulieren (aangeduid overigens als “intakeformulier”). Dat zij zich voor het aangaan van de vermogensbeheerovereenkomst op de hoogte heeft gesteld van de hoogte van de gewenste uitkeringen, heeft zij echter onvoldoende concreet onderbouwd. Zij heeft ook niet uitgelegd op welke wijze zij haar beleggingsbeleid hierop heeft afgestemd.
grieven 6 tot en met 9van [appellante] keren zich, zoals gezegd, tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de samenstelling van de portefeuille. Ook
grief 10in het principaal appel en
grief 3in het incidenteel appel (begroting van de schade) heeft op dit onderwerp betrekking. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Grief 11in het principaal appel faalt derhalve.
grief 1 in het incidenteel appelkeren [geïntimeerden] zich tegen de datum van 11 december 2009 waarop de rechtbank de wettelijke rente heeft doen ingaan. Dit is het gevolg van een vergissing van hun kant; zij hebben rente vanaf die datum gevorderd, terwijl dit vanaf 11 december 2008 moest zijn, de datum waarop [appellante] formeel aansprakelijk is gesteld, aldus [appellante]. [appellante] heeft aangevoerd dat nu [geïntimeerden] niet hebben gesteld dat [appellante] vanaf het indienen van de klacht in verzuim is, de wettelijke rente dient te worden toegewezen vanaf de datum van de inleidende dagvaarding, 25 oktober 2010.