Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
mr. J.P. Groente Hoorn,
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak gaat het om een geschil tussen appellant en geïntimeerde over de levering en montage van een dakkap op een woning. De aannemer, geïntimeerde, liet het werk uitvoeren door een onderaannemer. Appellant stelde meerdere gebreken vast en weigerde betaling van de aanneemsom. De kantonrechter oordeelde dat slechts één gebrek aannemelijk was en bracht een deel van de betaling in mindering, terwijl de overige vorderingen werden afgewezen.
Appellant kwam in hoger beroep met elf grieven en stelde dat er 21 gebreken waren die niet zijn hersteld, waardoor hij het werk niet heeft aanvaard. Geïntimeerde werd failliet verklaard, waarna de curator zich niet in het geding stelde. Het hof oordeelde dat de vorderingen van appellant, ook die uit de faillissementsboedel, behandeld moeten worden volgens artikel 30 Fw Pro.
Het hof constateerde dat het werk niet stilzwijgend is aanvaard vanwege de gebreken en dat appellant bewijs mocht leveren via getuigen. Omdat de vordering van appellant betrekking heeft op een verbintenis uit de faillissementsboedel, wordt het geding geschorst voor dat deel. De vordering van geïntimeerde tot betaling wordt aangehouden, omdat ontbinding van de overeenkomst niet is vastgesteld. De zaak wordt op een latere datum voortgezet.
Uitkomst: Het hof schorst het geding voor vorderingen uit de faillissementsboedel en houdt de overige beslissingen aan voor verdere behandeling.