Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.De beoordeling
Beperkingen en mogelijkheden
Gerechtshof Amsterdam
De werknemer was van september 2011 tot maart 2012 in dienst als barmedewerkster en meldde zich op 19 december 2011 ziek. De werkgever betaalde het loon na die datum niet meer uit. De werknemer had een vakantie gepland en goedgekeurd gekregen en deed aangifte wegens aanranding, wat werd geseponeerd. De bedrijfsarts stelde op 16 januari 2012 vast dat er geen medische arbeidsongeschiktheid was, maar adviseerde een afkoelingsperiode vanwege een verstoorde verhouding tussen partijen.
De kantonrechter kende de loonvordering toe op grond van artikel 7:628 BW Pro, omdat de werknemer redelijkerwijs niet kon worden gevergd haar werkzaamheden te verrichten door de verstoorde verhouding. Het hof bevestigde dit oordeel, benadrukkend dat de werknemer voldoende feiten en omstandigheden had gesteld omtrent de verstoorde arbeidsverhouding en dat de werkgever onvoldoende had gedaan om het conflict te bespreken en op te lossen.
Het hof oordeelde dat de werknemer recht had op loon over de periode van 19 december 2011 tot 1 februari 2012. De grieven van de werkgever faalden, en het hof veroordeelde de werkgever in de proceskosten van het hoger beroep. Het arrest werd uitgesproken op 14 oktober 2014.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de loonvordering van de werknemer toe wegens verstoorde arbeidsverhouding.