ECLI:NL:GHAMS:2014:4567
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel in hoger beroep skimmingzaak
In deze zaak stond de vordering van het Openbaar Ministerie centraal om de veroordeelde te verplichten tot betaling van een bedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op €181.922,69. De veroordeelde was eerder veroordeeld voor medeplegen van skimming, het voorhanden hebben van een daartoe bestemd voorwerp en gegevens, opzetheling en gewoontewitwassen. In hoger beroep werd hij echter vrijgesproken van medeplegen skimming en veroordeeld voor het voorhanden hebben van een laptop met gegevens en witwassen.
Het hof heeft bij de beoordeling van de ontnemingsvordering overwogen dat het niet bewezen is dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen uit de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld. De vordering van het OM betrof ook voordeel uit feiten waarvoor de veroordeelde was vrijgesproken en uit andere niet aan hem ten laste gelegde feiten, maar het hof vond onvoldoende bewijs dat de veroordeelde hierbij betrokken was.
Het hof heeft de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betrokken om te onderbouwen dat voordeel gerelateerd aan vrijgesproken feiten niet kan worden betrokken bij de ontnemingsvordering. Ook aanwijzingen over betrokkenheid bij andere strafbare feiten waren onvoldoende concreet of overtuigend.
Daarom heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering tot ontneming afgewezen. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 4 november 2014.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen.