Uitspraak
1.[appellant],
mr. R.H.J. Koopmanste Amsterdam,
mr. J.H.H. Baljette Amsterdam.
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak tussen appellant en geïntimeerde heeft het hof Amsterdam een deskundigenonderzoek laten uitvoeren om de afstand tussen de erfgrens en de ramen van het gebouw op het perceel van appellant te meten. Uit het rapport bleek dat deze afstand minder dan twee meter bedraagt, zowel op de beneden- als bovenverdieping. Geïntimeerde aanvaardde deze uitkomst, waardoor de stelling van appellant dat de afstand groter zou zijn, werd verworpen.
Het hof oordeelde dat de ramen in beginsel ondoorzichtig en vaststaand moeten zijn, maar stelde vast dat de ramen op de bovenverdieping zich boven ooghoogte bevinden. Hierdoor is artikel 5:50 lid 1 BW Pro niet van toepassing op die ramen, zodat de veroordeling wordt beperkt tot de ramen op de bovenverdieping. Verder verwierp het hof de grieven van appellant over openbaar water en verjaring wegens onvoldoende bewijs en stuitingshandelingen.
Tot slot oordeelde het hof dat er geen sprake is van misbruik van bevoegdheid door geïntimeerde. De kosten van beide instanties worden gecompenseerd en het bestreden vonnis wordt vernietigd. Appellant wordt veroordeeld om binnen één maand de ramen op de bovenverdieping ondoorzichtig en vaststaand te maken, met een dwangsom bij niet-naleving.
Uitkomst: Appellant wordt veroordeeld om binnen één maand de ramen op de bovenverdieping ondoorzichtig en vaststaand te maken met een dwangsom bij niet-naleving.